Lees “De Nieuwe Psychologie” (2010) nu GRATIS online!

Anderhalf jaar geleden heb ik onder eigen beheer deze vertaling van Stanislav’s Grof “Psychology of the Future – observations from modern consciousness research” uitgegeven. Deze is nu te koop bij een aantal nieuwetijdswinkels, smartshops en websites. Je kunt hem als boek of als PDF-bestand bestellen via Pumbo.nl (levertijd circa 2 weken) of bij mij persoonlijk (levertijd circa 3 dagen). Om hem bij mij persoonlijk te bestellen, kun je een mailtje sturen naar jamaska AT gmail.com.

Ik heb nu besloten om het boek ook gratis ter beschikking te stellen via deze website. De pagina’s zijn ietsje verkleind waardoor de letters niet zo scherp zijn als in het origineel, dus als je een prettigere leeservaring wilt, ga dan even langs bij De Wijze Kater, Conscious Dreams Kokopelli, Azarius, Frontier Bookshop, Wanuskewin of Au Bout du Monde.

Het rijk geïllustreerde, 335 pagina’s tellende boek kost overal 27,50.

Als je deze pagina met vrienden wilt delen, gebruik dan deze URL:
https://ditiseentrip.wordpress.com/de-nieuwe-psychologie/

Ook het delen waard is de nieuwe website (online sinds 1 januari 2012) over meritocratie, filosofie, psychologie en gnosis: Ronde Tafel Beleid.

Zie ook de Facebook pagina’s Ronde Tafel Beleid, Meritocracy en Illumination.

De Nieuwe Psychologie

Photobucket

Photobucket

Photobucket

Photobucket

PhotobucketPhotobucket

Photobucket

PhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucket

PhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucket

PhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucket

PhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucket

Fysieke klachten die niet door toepasselijke laboratoriumuitslagen kunnen worden gerechtvaardigd, worden vaak afgedaan als voortbrengselen van de patiënt z’n fantasie. Maar niets is minder waar. Ondanks de negatieve medische uitslagen zijn de fysieke klachten van deze patiënten zeer echt. Ze weerspiegelen alleen niet een huidig medisch probleem maar worden veroorzaakt door bovenkomende herinneringen aan ernstige fysiologische moeilijkheden uit het verleden. Hun bronnen zijn diverse ziektes, operaties, verwondingen en met name het geboortetrauma.
Drie afzonderlijke soorten nosofobie verdienen speciale aandacht: cancerofobie, de ziekelijke angst kanker te hebben of ontwikkelen, bacillofobie, angst voor micro-organismen en infectie, en mysofobie (“smetvrees”), angst voor vuil en besmetting. Al deze problemen hebben diepe perinatale wortels, hoewel hun specifieke vormen medebepaald zijn door biologische factoren. Bij cancerofobie is het belangrijke element de overeenkomst tussen kanker en zwangerschap. Uit de psychoanalytische literatuur weten we dat kwaadaardige tumorvorming onbewust geassocieerd wordt met embryonale ontwikkeling. Deze gelijkenis gaat verder dan de meest voor de hand liggende oppervlakkige parallel, een snel groeiend extern object in het lichaam. Het kan zelfs onderbouwd worden door anatomische, fysiologische en biochemische gegevens. In veel opzichten vertonen de kankercellen gelijkenis met de vroege stadia van embryonale ontwikkeling.
Bij bacillofobie en mysofobie richt de pathologische angst zich op biologisch materiaal, lichaamsgeuren en onreinheid. De biografische factoren die deze stoornissen veroorzaken hebben meestal betrekking op herinneringen uit de tijd van zindelijk-heidstraining, maar hun wortels reiken dieper, in het scatologische aspect van het perinatale proces. De sleutel tot het begrijpen van deze fobieën is het verband dat bestaat tussen BPM III en de dood, agressie, seksuele opwinding en diverse soorten biologisch materiaal.
Patiënten die lijden aan deze stoornissen zijn niet alleen bang dat ze zelf besmet kunnen worden, maar zijn ook bezorgd dat ze anderen zullen besmetten. Hun angst voor biologisch materiaal is zodoende nauw verwant aan agressie die zowel naar binnen als naar buiten gericht is, wat precies de situatie is die zo karakteristiek is voor de laatste stadia van de geboorte.
Op een oppervlakkiger niveau is de angst voor infectie en biologische groei ook onbewust gerelateerd aan sperma en bevruchting, en daarmee aan zwangerschap en geboorte. De belangrijkste COEX stelsels die aan bovenstaande fobieën verbonden zijn hebben te maken met relevante herinneringen uit het anaal-sadistische stadium van de libidinale ontwikkeling en conflicten omtrent zindelijkheidstraining en reinheid. Ander biografisch materiaal komt naar voren in herinneringen die seks en zwangerschap als vies en gevaarlijk afspiegelen. Zoals alle emotionele stoornissen hebben deze fobieën vaak ook transpersoonlijke componenten.
Diepe verstrengeling en vereenzelviging met biologische smetten zijn ook de basis van een laag gevoel van eigenwaarde dat gekenmerkt wordt door zelfdegradatie en een gevoel van zelfwalging, in de volksmond ook wel “shitty self-esteem” genoemd. Het wordt vaak in verband gebracht met gedrag dat erop gericht is het uiterlijk te verbeteren, hetgeen dit probleem verbindt met obsessief-compulsieve neuroses. Hiertoe behoren rituelen die, op een dieper niveau, biologische besmetting pogen te voorkomen of neutraliseren. De duidelijkste variant van deze rituelen is het compulsief wassen van de handen of andere lichaamsdelen. Dit kan zo buitensporig gebeuren dat het de huid verwondt en tot bloeden leidt.
Een vrouw wier herinneringen aan perinatale gebeurtenissen zich dicht onder het oppervlak van het bewustzijn bevinden kan lijden aan een fobie voor zwangerschap en bevalling. Wanneer een vrouw zich indirect bewust is van de kwelling van de geboorte, is het moeilijk voor haar om haar vrouwelijkheid en reproductieve rol te accepteren, aangezien voor haar moederschap gelijk staat aan het berokkenen van pijn en leed. Het idee zwanger te worden en de beproeving van de bevalling te moeten doorstaan kan onder deze omstandigheden gepaard gaan met verlammende angst.
Een fobie voor moederschap, wat een toestand van emotionele kwelling is die meestal vlak na de geboorte van het kind begint, is niet een zuivere fobie maar heeft obsessief-compulsieve elementen. Het is een combinatie van gewelddadige impulsen gericht op het kind en een panische angst deze daadwerkelijk pijn te doen. Dit gaat meestal gepaard met overmatig beschermend gedrag en onredelijke bezorgdheid dat er iets met de baby zou kunnen gebeuren. Wat de biologische factoren ook zijn die dit probleem doen manifesteren, de diepere bron blijkt uiteindelijk de geboorte van dat kind te zijn. Dit weerspiegelt het feit dat in het onbewuste de passieve en actieve aspecten van de geboorte nauw met elkaar verbonden zijn.
De bewustzijnstoestanden van biologische symbiotische eenheid van moeder en kind vertegenwoordigen toestanden van experiëntiële eenheid. Vrouwen die hun eigen geboorte herbeleven, ervaren zichzelf meestal tegelijkertijd of afwisselend als een barende moeder. Op dezelfde manier gaan herinneringen aan het foetale bestaan in de baarmoeder karakteristiek gepaard met een ervaring van zwanger zijn, en gaan herinneringen aan het krijgen van borstvoeding gepaard met herinneringen aan het geven van borstvoeding. De wortels van de fobie voor moederschap reiken tot in het eerste klinische stadium van de bevalling (BPM II) wanneer de moeder en het kind in een toestand van biologisch antagonisme verkeren, waarbij ze elkaar pijn berokkenen en enorme hoeveelheden destructieve energie uitwisselen.
De ervaring van deze situatie kan bij de moeder de herinnering aan haar eigen geboorte activeren, het ermee geassocieerde agressieve potentieel ontketenen en dit op het kind richten. Het feit dat het baren van een kind experiëntiële toegang verschaft tot de perinatale dynamiek betekent dat dit een belangrijke gelegenheid is voor therapeutisch werk. Voor vrouwen die net een kind hebben gebaard is dit een goed moment om diepgaand psychologisch werk te verrichten.
Activering van het perinatale onbewuste kan ook resulteren in postnatale depressies, neuroses of zelfs psychoses. Postnatale psychopathologie wordt meestal verklaard op basis van vage verwijzingen naar hormonale veranderingen. Dit is niet erg geloofwaardig, aangezien de reacties op het bevallen een zeer breed spectrum beslaan, van extase tot psychose, terwijl de hormonale veranderingen een vrij standaard patroon volgen. Mijn ervaring is dat de perinatale herinneringen een cruciale rol spelen in de fobieën voor zwangerschap en moederschap, en in postnatale depressie. Bij deze stoornissen is experiëntiële verwerking van het geboortetrauma en de vroege postnatale periode de meest effectieve behandelmethode.
Een fobie voor reizen met de trein en metro is onder andere gebaseerd op bepaalde gelijkenissen tussen de ervaring van de geboorte en deze vervoerswijzen. De belangrijkste gemene deler van de twee situaties zijn het gevoel van opgesloten zitten en de ervaring van enorme krachten en energieën in beweging, zonder het proces te kunnen beïnvloeden. Aanvullende elementen zijn het reizen door tunnels en ondergrondse passages, waarbij men ook nog eens te maken krijgt met duisternis. In de tijd van de ouderwetse stoommachine waren het vuur, de druk van de stoom en de lawaaierige sirene, die de indruk van een noodsituatie wekte, bijdragende factoren. Deze situaties kunnen de fobie alleen teweeg brengen als de perinatale herinneringen makkelijk het bewustzijn kunnen bereiken, als gevolg van hun intensiteit en het overbruggende effect van postnatale lagen in het onderliggende COEX stelsel.
Een fobie die nauw aan bovenstaande is gerelateerd, is de angst voor reizen per vliegtuig. Deze angst deelt met de andere situaties het ongemak van opsluiting, de angst voor de energie die er bij betrokken is en gebrek aan controle hebben op de gang van zaken. In fobieën die te maken hebben met beweging is gebrek aan controle telkens een zeer belangrijk element. Dit kan geïllustreerd worden door de fobie voor reizen per auto, wat een vervoermiddel is waarin men makkelijk zowel de rol van de passagier en die van de bestuurder kan spelen. Deze fobie manifesteert zich in de regel wanneer we passief meerijden en niet wanneer we zelf het stuur in handen hebben en doelbewust de beweging kunnen veranderen of stoppen.
In dit verband is het interessant om te vermelden dat zeeziekte en luchtziekte vaak gerelateerd zijn aan perinatale dynamiek en nadat men het dood-wedergeboorte proces heeft doorgemaakt vaak verdwijnen. Hierbij is het essentiële element de bereidheid om controle uit handen te geven en zich over te geven aan de stroom van gebeurtenissen, waartoe ze ook mogen leiden. Problemen ontstaan men controle wil uitoefenen op processen die hun eigen dynamische vaart hebben. Buitensporige behoefte aan controle is karakteristiek voor personen die sterk beïnvloed worden door BPM III en gerelateerde COEX stelsels, terwijl het vermogen zich over te geven aan de stroom van gebeurtenissen duidelijk verbonden is aan de positieve aspecten van BPM I en BPM IV.
Acrofobie, of hoogtevrees, is eigenlijk niet een pure fobie. Ze gaat gepaard met de drang om naar beneden te springen of zich van een verhoging – een toren, raam, klif of brug – naar beneden te laten vallen. Het gevoel te vallen gekoppeld aan een angst vernietigd te worden, is een typische manifestatie van de laatste stadia van BPM III. De oorsprong van deze associatie is niet geheel duidelijk, maar zou een fylogenetische component kunnen hebben. Sommige dieren bevallen terwijl ze staan en vrouwen in bepaalde inheemse samenlevingen bevallen hangend aan takken, gehurkt of geknield. Een andere mogelijkheid is dat deze associatie de eerste kennismaking met de zwaartekracht weerspiegelt, met inbegrip van de kans dat men op de grond valt of zelfs een herinnering aan zo’n gebeurtenis.
In ieder geval komt het vrij vaak voor dat mensen zich onder de invloed van deze matrix bevinden, in hun holotrope bewustzijnstoestanden ervaren dat ze vallen, acrobatisch duiken of parachutespringen. Een compulsieve interesse in sporten en andere activiteiten die met vallen gepaard gaan (parachutespringen, bungiejumpen, filmstunts, stuntvliegen), wijst op een behoefte de gevoelens van dreigende rampspoed een uiterlijke vorm te geven in situaties die een bepaalde graad van controle toestaan (het bungiekoord, de kabels van een parachute) of andere vangnetten hebben (beëindigen van de val in water). Tot de COEX stelsels die voor dit bepaalde facet van het geboortetrauma verantwoordelijk zijn behoren herinneringen uit de kindertijd waarin men door ouders speels in de lucht geworpen werd en ongelukken waarbij men op de grond viel.
Vanwege de vrij enigmatische relatie tussen hoogtevrees, de ervaring van vallen en de laatste stadia van de geboorte, zal ik een uitzondering maken en deze fobie met een specifiek voorbeeld illustreren. Dit voorbeeld gaat over Ralph, een Duitse emigrant in Canada die jaren geleden onze holotroop ademwerk workshop bijwoonde. Casussen die aan andere fobieën gerelateerd zijn worden in mijn andere publicaties besproken.
In zijn holotrope sessie ervaarde Ralph een krachtig COEX stelsel waarvan hij de indruk had dat het zijn ernstige hoogtevrees veroorzaakte. De meest oppervlakkige laag van dit COEX stelsel bevatte een herinnering uit het vooroorlogse Duitsland. Dit was de tijd van de hectische opbouw van het leger en de even zo hectische voorbereidingen op de Olympische Spelen in Berlijn, waarin Hitler de superioriteit van het Noordse ras wilde demonstreren.
Aangezien het winnen van de Olympische Spelen voor Hitler een kwestie van immens politiek belang was, werden vele getalenteerde atleten naar speciale kampen gestuurd voor strenge training. Dit was een alternatief voor dienstplicht in de Wehrmacht, het beruchte Duitse leger. Ralph, een pacifist die een hekel had aan het leger, werd naar een van deze kampen gestuurd, wat hem de kans gaf de dienstplicht te omzeilen.
De training had betrekking op diverse sporten en alles draaide om competitie; alle activiteiten werden beoordeeld en wie het laagste aantal punten had werd naar het leger gestuurd. Ralph liep achter en kreeg een laatste kans om zijn reputatie te verbeteren. Met zoveel te verliezen was zijn motivatie om te slagen zeer hoog, maar de uitdaging was beangstigend. De taak die hij moest verrichten was iets dat hij nog nooit in zijn leven gedaan had, namelijk vanaf een achttien meter hoge toren met het hoofd naar beneden in een zwembad duiken.
De biografische laag van zijn COEX stelsel bestond uit het herbeleven van de enorme weerstand en angst die de duik hadden opgeroepen, evenals de gewaarwordingen van het vallen zelf.
Zoofobie, de angst voor dieren, kan betrekking hebben op allerlei levens-vormen, zowel grote, gevaarlijke als kleine, ongevaarlijke schepsels. Het is in wezen niet gerelateerd aan het feitelijke gevaar dat een bepaald dier voor de mens vormt. In de klassieke psychoanalyse werd het gevreesde dier gezien als een symbolische vertegenwoordiging van de castrerende vader of de slechte moeder en had altijd een seksuele connotatie. Het werk dat is gedaan met holotrope bewustzijnstoestanden heeft aangetoond dat zo’n biografische interpretatie van zoofobie ontoereikend is en dat deze stoornis belangrijke perinatale en transpersoonlijke wortels heeft.

PhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucket

Als het object van de fobie een groot dier is, lijken de belangrijkste elementen ofwel het thema van opgeslokt en verteerd worden (wolf) of de relatie tussen zwangerschap en zogen (koe). We hadden eerder al vermeld dat de archetypische symboliek van de aanvang van BPM II ervaren wordt als doorgeslikt en verteerd worden. Deze perinatale angst voor verzwelging kan makkelijk op grotere dieren geprojecteerd worden, met name roofdieren.
Daarnaast hebben bepaalde dieren een specifieke symbolische associatie met het geboorteproces. In de eerste fase van BPM II verschijnen vaak beelden van reusachtige vogelspinnen als symbolen van het Verslindende Vrouwelijke. Dit weerspiegelt het feit dat spinnen vrij rondvliegende insecten in hun web vangen, immobiliseren, omwikkelen en doden. Het is niet moeilijk om een diepe gelijkenis te zien tussen deze opeenvolging van gebeurtenissen en de ervaringen van het kind tijdens de bevalling. Deze associatie lijkt essentieel te zijn voor de ontwikkeling van arachnofobie.
Een andere zoofobie die een belangrijke perinatale component heeft, is ophiofobie of serpentofobie, de angst voor slangen. Beelden van slangen die op een oppervlakkiger niveau een fallische connotatie hebben, zijn algemene symbolen die de kwelling van het geboorteproces vertegenwoordigen en zodoende het vernietigende en Verslindende Vrouwelijke. Giftige slangen vertegenwoordigen doorgaans de dreiging van op handen zijnde dood, en grote boa constrictors de verplettering en wurging waarmee de geboorte gepaard gaat. Het feit dat grote wurgslangen hun prooi doorslikken en dan zwanger lijken, bestendigt de perinatale connotatie.
Ook de fobie voor kleine insecten kan meestal getraceerd worden tot de dynamiek van de perinatale matrices. Zo lijken bijen gerelateerd te zijn aan voortplanting en zwangerschap vanwege hun rol in de overdracht van pollen en bevruchting van planten, evenals hun capaciteit om zwellingen te veroorzaken. Vliegen worden, als gevolg van hun affiniteit met ontlasting en hun vermogen infecties te verspreiden, vaak geassocieerd met het scatologische aspect van de geboorte. Zoals reeds besproken, heeft dit een nauwe relatie met fobieën voor vuil en micro-organismen, en het compulsief wassen van de handen. Keraunofobie, of pathologische angst voor onweersbuien, is psychodynamisch gerelateerd aan de overgang van BPM III naar BPM IV en zodoende aan de ego-dood. Bliksem vertegenwoordigt een energetisch verband tussen hemel en aarde, en elektriciteit is een fysieke uiting van goddelijke energie. Om deze reden symboliseert een onweersbui het contact met het goddelijk licht dat plaatsvindt op het hoogtepunt van het dood-wedergeboorte proces. Tijdens mijn werk in Praag maakte ik meerdere keren mee dat patiënten in hun psychedelische sessies bewust elektrische schokken herleefden die hen eerder in hun leven toegediend waren. Ze hadden deze ervaringen toen hun proces van psychospirituele transformatie het punt van de ego-dood bereikte. De bekendste persoon die aan keraunofobie leed was Ludwig van Beethoven. Hij slaagde erin het object van zijn angst onder ogen te zien toen hij een wonderbaarlijke muzikale weergave van een onweersbui opnam in zijn Pastorale Symfonie.
Pyrofobie, de pathologische angst voor vuur, heeft ook diepe psychologische wortels in de overgang van BPM III naar BPM IV. Toen we de fenomenologie van de perinatale matrices bespraken, zagen we dat personen die de ego-dood naderen doorgaans visioenen van vuur hebben. Ze ervaren vaak ook dat hun lichaam in brand staat en dat ze door zuiverende vlammen heen gaan. Het thema van vuur en purgatorium is zodoende een belangrijke bijkomstigheid van het laatste stadium van de psychospirituele transformatie. Wanneer dit aspect van de onbewuste dynamiek de drempel van het bewustzijn bereikt, manifesteert de relatie tussen de ervaringen van vuur en de dreigende ego-dood zich als pyrofobie.
In personen die het positieve potentieel van dit proces aan kunnen voelen, namelijk dat het uiteindelijke resultaat een psychospirituele wedergeboorte zal zijn, kan exact het tegenovergestelde effect plaatsvinden. Ze hebben het gevoel dat hen iets fantastisch zal gebeuren als ze de vernietigende kracht van vuur zouden kunnen ervaren. Deze verwachting kan zo groot zijn dat het zich uit in een onweerstaanbare drang om daadwerkelijk vuur te stichten. Het aanschouwen van de resulterende vuurzee geeft slechts een tijdelijk gevoel van opwinding en stelt meestal teleur. Maar het gevoel dat de ervaring van vuur een fenomenale verlichting teweeg zou moeten brengen, is zo overtuigend dat deze mensen het opnieuw proberen en brandstichters worden. De paradox is dus dat pyrofobie nauw verwant is aan pyromanie.
Ook hydrofobie, of pathologische angst voor water, heeft in de regel een sterke perinatale component. Dit weerspiegelt het feit dat water een belangrijke rol speelt in de bevalling. Als de zwangerschap en bevalling normaal verlopen, is dit verband zeer positief. In dat geval vertegenwoordigt water voor het kind het comfort van het intra-uterine bestaan of van de postnatale periode, waarin gebaad worden aan het kind duidelijk maakt dat het gevaar van de geboorte achter de rug is. Aan de andere kant kunnen prenatale noodtoestanden, inhalatie van de baarmoedervloeistof tijdens de geboorte of ongelukken tijdens het postnatale baden water juist een buitengewoon negatieve lading geven. De COEX stelsels die aan hydrofobie ten grondslag liggen bevatten meestal ook biografische elementen (traumatische ervaringen met water in de zuigelingenperiode en kindertijd) en transpersoonlijke elementen (schipbreuk, overstroming of verdrinking in een vorig leven).

Conversie-hysterie

Deze psychoneurose was in Freud’s tijd veel algemener dan vandaag de dag en het speelde een belangrijke rol in de geschiedenis en ontwikkeling van de psychoanalyse. Meerdere patiënten van Freud en zijn volgelingen behoorden tot deze diagnostische categorie. Conversie-hysterie heeft een veelzijdige en kleurrijke symptomatologie en is, volgens de psychoanalytische psychogene interpretatie, nauw verwant aan de fobieën, of angst-hysterie.
Dit betekent dat de voornaamste fixatie voor deze stoornis op het fallische stadium van de libidinale ontwikkeling gericht is en dat het psychoseksuele trauma dat er aan ten grondslag ligt plaatsvond in de periode dat het kind sterk beïnvloed werd door het Elektra of Oedipus complex. Van de verschillende afweermechanismen die bij de psychogenese van conversie-hysterie betrokken zijn is conversie (dat deze vorm van hysterie zijn naam gaf) de meest karakteristieke. Deze term verwijst naar het proces waarin onbewuste conflicten en instinctuele driften op symbolische wijze in fysieke symptomen getransformeerd worden.
Voorbeelden van hysterische belemmering van motorische functies zijn verlamming van armen of benen, verlies van spraakvermogen (afonie) en overgeven. Conversie die zich richt op de zintuigen en zintuiglijke functies kan resulteren in tijdelijke blindheid, doofheid of psychogene verdoving. Conversie-hysterie kan ook een combinatie van symptomen voortbrengen die op overtuigende wijze zwangerschap nabootsen. Deze onechte zwangerschap of pseudokyesis kan gepaard gaan met amenorrhea en een flinke vergroting van de buikholte die tenminste deels veroorzaakt wordt door het vasthouden van gas in de darmen. Ook religieuze stigmata die de verwondingen van Jezus Christus simuleren zijn vaak geïnterpreteerd als hysterische conversies.
Freud suggereerde dat in hysterische conversies onderdrukte seksuele gedachten en impulsen indirect geuit worden in veranderingen van lichamelijke functies en het aangedane orgaan “geseksualiseerd” wordt, met andere woorden dat het een symbolisch substituut wordt voor de genitaliën. Zo zouden de hyperemie en het laten zwellen van diverse organen een erectie kunnen symboliseren en zouden abnormale gevoelens in deze organen genitale gewaarwordingen kunnen imiteren. In sommige gevallen kan de bovenkomende herinnering aan de traumatische gebeurtenis vervangen worden door bepaalde fysieke gewaarwordingen die het individu op dat moment ervaarde.
De meest complexe en opmerkelijke manifestatie van hysterie is een specifiek soort psychosomatische aanval, aangeduid als la grande hystérie of het hysterisch insult. Het is een conditie die gepaard gaat met afwisselend huilen en lachen, theatrale erotische bewegingen en een extreem achteroverbuigen van het lichaam (arc de circle). Volgens Freud zijn hysterische aanvallen pantomimieke uitingen van herinneringen aan vergeten gebeurtenissen uit de kindertijd en van verzonnen verhalen die op deze gebeurtenissen zijn gebaseerd. Deze bezweringen vertegenwoordigen vermomde seksuele thema’s die gerelateerd zijn aan het Oedipus en Elektra complex en hun afgeleiden. Freud wees er op dat het gedrag tijdens hysterische aanvallen duidelijk hun seksuele karakter verraadt. Hij vergeleek het verlies van bewustzijn tijdens de piek van de aanval met het tijdelijke verlies van bewustzijn tijdens het seksuele orgasme.
Observaties uit holotrope bewustzijnstoestanden tonen aan dat conversie-hysterie naast biologische invloeden ook belangrijke perinatale en transpersoonlijke wortels heeft. Ten grondslag aan conversie verschijnselen in het algemeen en hysterische bezweringen in het bijzonder liggen krachtige bioenergetische blokkades en tegenstrijdige prikkelingen gerelateerd aan de dynamiek van BPM III. Het gedrag van mensen die de laatste stadia van deze perinatale matrix ervaren, met name de karakteristieke draaiing van het hoofd en het extreem naar achteren buigen, lijkt vaak op een hysterisch insult.
De aard en timing van het biografische materiaal dat bij de ontwikkeling van conversie-hysterie betrokken is stemt in het algemeen overeen met freudiaanse theorie. Experiëntieel werk laat vrijwel altijd zien dat er sprake was van psychoseksuele trauma’s uit de kindertijd toen de patiënt het fallische ontwikkelingsstadium bereikte en beïnvloed werd door het Oedipus of Elektra complex. De bewegingen van het hysterisch insult vertonen naast de al genoemde perinatale elementen ook symbolische verwijzingen naar specifieke aspecten van het onderliggende trauma uit de kindertijd.
De seksuele inhoud van de aan conversie-hysterie gerelateerde traumatische herinneringen verklaart waarom ze deel uitmaken van een COEX stelsel dat ook het seksuele aspect van BPM III bevat. Indien we niet bekend zijn met het feit dat de geboorteherinnering een sterk seksueel element heeft, zullen we de perinatale bijdragen aan het ontstaan van conversie-hysterie makkelijk over het hoofd zien en deze stoornis geheel aan postnatale invloeden toeschrijven. Het is in dit verband interessant om te vermelden dat Freud zelf observeerde en toegaf dat de hoofdthema’s die ten grondslag liggen aan het hysterisch insult vaak niet seksuele verleiding of gemeenschap zijn, maar zwangerschap en geboorte.
De rol die BPM III speelt in de psychogenese van conversie-hysterie verklaart veel belangrijke aspecten van deze stoornis die in de psychoanalytische literatuur wel vaak vermeld zijn maar nooit afdoende verklaard. Het is bovenal een feit dat de analyse van hysterische symptomen niet alleen laat zien dat ze gerelateerd zijn aan libidinale impulsen en het seksuele orgasme, maar ook aan een algemene “erectie” van het gehele lichaam (geboorte-orgasme) en vrij expliciet aan geboorte en zwangerschap. Hetzelfde geldt voor conversie-hysterie, waarin een vreemd verband bestaat tussen seksualiteit, agressie en de dood.
De psychodynamische basis van conversie-hysterie lijkt erg op die van opgewonden depressie. Dit wordt duidelijk wanneer we kijken naar de meest volledige uiting van deze stoornis, het hysterisch insult. Opgewonden depressie is in het algemeen een ernstigere stoornis dan conversie-hysterie en manifesteert op een veel zuiverdere manier de inhoud en dynamiek van BPM III. Wie de gezichtsuitdrukkingen en het gedrag van een patiënt met opgewonden depressie observeert, zal er niet aan twijfelen dat er reden is voor ernstige bezorgdheid. Deze indruk wordt bevestigd door de onder deze patiënten frequent voorkomende zelfmoord en zelfs zelfmoord waarbij ook anderen omgebracht worden.
Een hysterisch insult vertoont een oppervlakkige gelijkenis met opgewonden depressie. Maar het is duidelijk dat het algemene beeld veel minder ernstig is en niet met zulke diepe wanhoop gepaard gaat. Het lijkt gestileerd en geforceerd en heeft duidelijke theatrale kenmerken die onmiskenbaar seksueel getint zijn. Een hysterische aanval heeft doorgaans veel algemene karakteristieken van BPM III – buitensporige spanning, psychomotorische opwinding en onrust, een mengeling van depressie en agressie, luid schreeuwen, verstoring van de ademhaling en dramatisch krommen van het lichaam. Maar bij deze aandoening verschijnt het experiëntiële sjabloon in een beduidend lichtere vorm dan bij opgewonden depressie en is sterk gekleurd en gewijzigd door latere traumatische gebeurtenissen.
Het dynamische verband tussen conversie-hysterie, opgewonden depressie en BPM III komt in de loop van diepe experiëntiële therapie heel duidelijk naar voren. In het begin hebben de holotrope bewustzijnstoestanden de neiging hysterische symptomen uit te lokken of te versterken en de cliënt ontdekt hun bron in specifieke psychoseksuele trauma’s uit de kindertijd. Latere sessies vertonen meestal steeds meer overeenkomsten met opgewonden depressie en onthullen uiteindelijk de onderliggende elementen van BPM III. Het herbeleven van de geboorte en het ervaren van BPM IV geeft dan verlichting of zelfs een geheel verdwijnen van symptomen. De diepste wortels van hysterische conversies kunnen tot in transpersoonlijke lagen reiken en beleefd worden als karmische herinneringen of archetypische thema’s.
Hysterische verlamming van de handen en armen, niet meer kunnen staan (abasie), verlies van het spraakvermogen (afonie) en andere conversie-symptomen hebben ook sterke perinatale componenten. Deze aandoeningen worden niet veroorzaakt door een gebrek aan motorische impulsen maar door een dynamisch conflict van antagonistische motorische impulsen die elkaar opheffen. De oorzaak van deze situatie is de pijnlijke en stressvolle ervaring van het geboorteproces waarop het organisme van het kind reageert met een buitensporige en chaotische opwekking van neurologische impulsen die onvoldoende ontladen kunnen worden.
Een soortgelijke interpretatie van hysterische conversie-symptomen werd voor het eerst gesuggereerd door Otto Rank, in zijn baanbrekende werk Das Trauma der Geburt (1929). Terwijl Freud conversies zag als uitingen van een psychologisch conflict, uitgedrukt in lichaamstaal, geloofde Rank dat hun werkelijke basis fysiologisch was, en het geboorteproces weerspiegelde. Het vraagstuk waar Freud mee worstelde was hoe een primair psychologisch probleem zich kon vertalen in een fysiek symptoom. Rank had met het tegenovergestelde vraagstuk te maken – hij moest uitleggen hoe een primair somatisch verschijnsel door secundaire ontwikkeling psychologische inhoud en symbolische betekenis kon vergaren.
Enkele ernstige manifestaties van hysterie die grenzen aan psychose, zoals psychogeen dronkenschap, onbeheersbaar dagdromen en fantasie voor werkelijkheid aanzien (pseudologia fantastica) zijn dynamisch gerelateerd aan BPM I. Ze weerspiegelen een diepe behoefte de vreugdevolle emotionele toestand van het onverstoorde intra-uterine bestaan en de symbiotische eenheid met de moeder te herstellen. Terwijl het component van emotionele en fysieke bevrediging waar deze toestanden mee gepaard gaan makkelijk herkend kunnen worden als surrogaten van de “goede baarmoeder” en “goede borst” situatie waar men naar verlangt, worden er in de daadwerkelijke inhoud van de dagdromen en fantasieën thema’s en elementen gebruikt die gerelateerd zijn aan de zuigelingenperiode, de kinderjaren en het latere leven van het individu.

Obsessief-compulsieve neurose

Patiënten die lijden aan obsessief-compulsieve stoornissen worden gekweld door binnendringende irrationele gedachten waar ze niet vanaf kunnen komen, en voelen zich ertoe gedwongen herhaaldelijk absurde en betekenisloze rituelen uit te voeren. Als ze niet naar deze vreemde impulsen handelen, raken ze overweldigd door grondeloze angst. In de psychoanalytische literatuur heerst de algemene opvatting dat conflicten die gerelateerd zijn aan homoseksualiteit, agressie en lichamelijke afvalproducten de psychodynamische basis van deze stoornis vormen, samen met een onderdrukking van genitale activiteit en een sterke nadruk op pregenitale driften, in het bijzonder die welke anaal van aard zijn. Deze aspecten van obsessief-compulsieve neurose wijzen op een krachtige perinatale component in deze stoornis, met name het scatologische aspect van BPM III.
Een ander karakteristiek aspect van deze neurose is de aanwezigheid van tegenstrijdige gevoelens aangaande religie en God. Veel obsessief-compulsieve patiënten ervaren herhaaldelijk hevig conflicterende gevoelens over God en religieus geloof, en hebben opstandige en godlasterende gedachten, gevoelens en opwellingen. Zo associëren ze het beeld van God met masturbatie en ontlasting of ervaren in de kerk of tijdens begrafenissen een onbeheersbare drang om hardop te lachen, obsceniteiten te roepen of scheten te laten. Dit wordt afgewisseld door wanhopige pogingen te berouwen, te boeten en zich te straffen voor hun overtredingen en zonden.
Zoals we eerder in deze verhandeling van de perinatale matrices al zagen, is deze nauwe associatie van de seksuele en agressieve driften met het numineuze en goddelijke element karakteristiek voor de overgang van BPM III naar BPM IV. Op soortgelijke wijze is een sterk conflict tussen weerstand tegen een overweldigende kracht en een wens zich er aan over te geven karakteristiek voor de laatste stadia van het dood-wedergeboorte proces. In holotrope bewustzijnstoestanden kan deze onophoudelijke en gezaghebbende kracht in een archetypische, figuurlijke vorm ervaren worden.
We zien het dan als een strikte, bestraffende en gemene God vergelijkbaar met Yahweh uit het Oude Testament, of zelfs een wrede precolumbiaanse afgod die bloederige offers opeist. Het biologische correlaat van deze bestraffende godheid is de beperkende invloed van het geboortekanaal die het individu extreem en levensbedreigend leed berokkend en tegelijkertijd belemmert dat er uitdrukking kan worden gegeven aan de seksuele en agressieve instinctuele energieën die door de beproeving van de geboorte geactiveerd worden.
De beperkende invloed van het geboortekanaal vertegenwoordigt de biologische basis voor dat deel van het superego dat Freud “onbeschaafd” noemt. Het is een primitief en barbaars element van de psyche dat een individu tot zelfverminking of zelfs bloederige zelfmoord aan kan zetten. Freud zag dit deel van het superego als instinctueel van aard en zodoende een afgeleide van het id. Postnataal neemt de beperkende en dwingende invloed de veel subtielere vormen aan van regels en verboden afkomstig van ouderlijk gezag, strafrechtelijke instituten en religieuze geboden. Een ander aspect van het superego, Freud’s “ideale ego”, weerspiegelt onze neiging ons te vereenzelvigen met iemand die we bewonderen en trachten te evenaren.
Een belangrijke perinatale bron van de obsessief-compulsieve neurose is het onaangename of zelfs levensbedreigende contact met verschillende soorten lichamelijk uitscheidingsmateriaal in de laatste stadia van de geboorte. De COEX stelsels die psychogeen met deze stoornis geassocieerd worden hebben betrekking op traumatische ervaringen gerelateerd van de anale zone en biologisch uitscheidingsmateriaal, zoals strenge zindelijkheidstraining, pijnlijke klysma’s, anale verkrachting en ziektes van het maagdarmkanaal. Een andere belangrijke categorie heeft betrekking op herinneringen van situaties die een bedreiging vormden voor de genitale integriteit. Vrij regelmatig spelen transpersoonlijke elementen met soortgelijke thema’s een belangrijke rol in de ontwikkeling van deze vervelende aandoening.

Depressie, manie en suïcidaal gedrag

In de psychoanalyse worden depressie en manie gezien als stoornissen die gerelateerd zijn aan ernstige problemen in de actieve orale periode (de sadistische of kannibalistische fase), zoals een verstoring van het zogen, emotionele afwijzing en gemis, en problemen in de vroege moeder-kind relatie. Zelfmoordneigingen worden dan geïnterpreteerd als aanvallen gericht op het innerlijk geprojecteerde object, het beeld van de “slechte moeder”, met name haar borst. Vanuit het oogpunt van de observaties uit holotrope bewustzijnstoestanden moet dit beeld gecorrigeerd en aanzienlijk uitgebreid worden. Het huidige concept is onwaarschijnlijk en niet erg overtuigend, en geeft geen verklaring voor sommige fundamentele klinische observaties met betrekking tot depressies.
Waarom zijn er bijvoorbeeld twee radicaal verschillende vormen van depres-sie, namelijk de geremde en de opgewonden variant? Waarom zijn depressieve mensen zo vaak bio-energetisch geblokkeerd, zoals blijkt uit het veelvuldig voorkomen van hoofdpijnen, druk op de borstkas, psychosomatische pijnen en het vasthouden van water? Waarom zijn ze fysiologisch beperkt en vertonen ze gebrek aan eetlust, problemen met het maagdarmkanaal, constipatie en amenorrhea? Waarom vertonen personen die depressief zijn, waaronder ook mensen die lijden aan een geremde depressie, zulke hoge niveaus van biochemische stress? Waarom voelen ze zich hopeloos en hebben ze het gevoel dat ze “vast zitten”?
Deze vragen kunnen niet beantwoord worden door psychotherapeutische leerscholen die conceptueel beperkt zijn tot de postnatale biografie en het freudiaanse individuele onbewuste. Nog minder succesvol zijn theorieën die depressieve stoornissen proberen te verklaren op basis van chemische verstoringen in het organisme. Het is uiterst onwaarschijnlijk dat een chemische verandering op zichzelf de oorzaak kan zijn van de complexiteit van het klinische beeld van depressie, of de raakvlakken met manie en zelfmoord. Deze situatie verandert drastisch wanneer we beseffen dat deze stoornis-sen belangrijke perinatale en transpersoonlijke componenten bevatten. We beginnen de aan depressie gerelateerde problematiek dan in een heel nieuw licht te zien en vele uitingsvormen van depressie blijken opeens volkomen logisch.
Geremde depressies hebben meestal belangrijke wortels in de tweede perinatale matrix. De fenomenologie van sessies die overheerst worden door BPM II, evenals de periodes die direct volgen op slecht beëindigde ervaringen die door deze matrix gedomineerd werden, vertonen alle essentiële eigenschappen van diepe depressie. De persoon die beïnvloed wordt door BPM II wordt gekweld door hevige mentale en emotionele pijn – hopeloosheid, wanhoop, overweldigende schuldgevoelens en de overtuiging onbekwaam te zijn. Hij of zij voelt diepe angst, gebrek aan initiatief, verlies van interesse in alles, en is niet langer in staat van het bestaan te genieten. In deze toestand lijkt het leven volkomen zinloos, emotioneel leeg en absurd.
De wereld en het eigen leven worden gezien door een negatieve sjabloon, met selectieve aandacht voor de pijnlijke, slechte en tragische aspecten van het leven en blindheid voor alles dat positief is. Deze situatie komt over als volkomen ondraaglijk, onontkoombaar en hopeloos. Soms gaat dit gepaard met verlies van het vermogen kleuren te zien; wanneer dit gebeurt, wordt de hele wereld gezien als een zwart-wit film. Ondanks het extreme leed dat in deze situaties een rol speelt, gaat deze conditie niet gepaard met huilen of andere dramatische uiterlijke expressies; het wordt gekenmerkt door een algemene belemmering van motorische functies.
Zoals ik eerder al aangaf gaat geremde depressie gepaard met bio-energetische blokkades in diverse delen van het lichaam en ernstige beperking van belangrijke fysiologische functies. Typische fysieke bijkomstigheden van deze vorm van depressie zijn gevoelens van onderdrukking, beperking en opsluiting, een gevoel van ademnood, spanningen en druk in diverse delen van het lichaam, en hoofdpijn. Heel algemeen zijn ook het vasthouden van water en urine, constipatie, hartritmestoornissen, verlies van interesse in voedsel en seks, en een neiging diverse fysieke symptomen hypochondrisch te interpreteren.
Al deze symptomen zijn verenigbaar met het idee dat dit type depressie een manifestatie is van BPM II. Dit wordt verder bevestigd door paradoxale biochemische ontdekkingen. Mensen die lijden aan geremde depressie vertonen vaak een hoge mate van stress, hetgeen blijkt uit de verhoging van catecholamines en steroïde hormonen in bloed en urine. Dit biochemische beeld is passend voor het feit dat BPM II een uiterst stressvolle innerlijke situatie vertegenwoordigt waarin uiterlijke actie of expressie niet mogelijk zijn (“aan de buitenkant zitten, maar vanbinnen rennen”).
De psychoanalytische theorie herleidt depressie tot vroege orale problemen en emotioneel gemis. Hoewel dit verband uiteraard correct is, geeft het geen rekenschap van belangrijke aspecten van depressie – het gevoel vast te zitten, hopeloosheid met een gevoelen van “geen-uitgang”, bio-energetische blokkering en fysieke manifestaties, zoals de zojuist genoemde biochemische ontdekkingen. Het huidige model toont aan dat de freudiaanse uitleg in principe correct is, maar onvolledig. Hoewel de aan geremde depressie gerelateerde COEX stelsels dezelfde biografische elementen hebben die in de psychoanalyse benadrukt worden, moet voor een omvangrijker en vollediger beeld ook gekeken worden naar de dynamiek van BPM II.
Het vroege gemis en de orale frustratie hebben veel gemeen met BPM II, en het feit dat beide situaties in hetzelfde COEX stelsel voorkomen, geeft blijk van diepe experiëntiële logica. Bij BPM II is er sprake van een onderbreking van de symbiotische verbinding tussen foetus en moederlijk organisme, die veroorzaakt wordt door de persweeën en hierdoor veroorzaakte samendrukking van de aderen. Deze verbreking en verlies van biologisch en emotioneel contact met de moeder beëindigt de levering van zuurstof, voeding en warmte aan de foetus. Andere consequenties van de weeën zijn tijdelijke ophoping van toxische uitscheidingsproducten in het lichaam van de foetus en blootstelling aan een onprettige en potentieel gevaarlijke situatie.
Het is daarom niet verwonderlijk dat elementen van COEX stelsels die dynamisch gerelateerd zijn aan geremde depressie (en aan BPM II) betrekking hebben op scheiding en afwezigheid van de moeder gedurende de kindertijd en vroege zuigelingenperiode en de hieruit voortvloeiende gevoelens van eenzaamheid, kou, honger en angst. In zekere zin vertegenwoordigen ze een “hoger octaaf” van het meer acute en verontrustende gemis die tijdens de bevalling door de weeën veroorzaakt wordt. De oppervlakkigere lagen van de relevante COEX stelsels weerspiegelen gezins-situaties waarin het kind onderdrukt en gestraft werd en er geen mogelijkheid was zich hier tegen te verzetten of er aan te ontsnappen. Ze bevatten meestal ook herinneringen aan situaties waarin men door leeftijdgenoten als het pispaaltje behandeld werd, door werkgevers werd uitgebuit, of onder politieke of sociale onderdrukking gebukt ging. Al deze situaties versterken en bestendigen de rol van slachtoffer in de hachelijke geen-uitgang situatie van BPM II.
Een belangrijke categorie COEX stelsels die een sleutelrol spelen in de dynamiek van depressie heeft betrekking op gebeurtenissen die een bedreiging vormen voor de overleving of integriteit van het lichaam en waarin het individu de rol speelde van een hulpeloos slachtoffer. Deze observatie uit holotroop onderzoek is een volkomen nieuwe bijdrage aan ons begrip van depressies. Psychoanalytici en psychodynamisch georiënteerde academische psychiaters benadrukken de rol van psychologische factoren in de pathogenese van depressie en nemen de psychotrauma’s ten gevolge van lichamelijke kwetsuren niet in overweging.
De psychotraumatische effecten van ernstige ziektes, verwondingen, operaties en verdrinkingsnood zijn door academische psychiaters over het hoofd gezien en volkomen onderschat, wat opmerkelijk is gezien hun algemene benadrukking van biologische factoren. Voor theoretische en klinische medici die depressie zien als het resultaat van fixatie op de orale periode van libidinale ontwikkeling, vormt de ontdekking dat fysieke trauma’s een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van deze stoornis een ernstige conceptuele uitdaging. Maar in de context van het hier gepresen-teerde model, dat een pathogene uitwerking toeschrijft aan COEX stelsels die betrekking hebben op het gecombineerde emotioneel-fysieke geboortetrauma, is het volkomen logisch.
Anders dan bij de geremde depressie is de fenomenologie van de opgewonden depressie psychodynamisch verbonden aan BPM III. In experiëntiële sessies en de intervallen tussen de sessies in, blijken de fundamentele elementen van deze vorm van depressie door de derde matrix beheerst te worden. De opgekropte energieën van de geboorte worden niet volledig geblokkeerd zoals dat het geval is bij de aan BPM II gerelateerde geremde depressie. Bij opgewonden depressie vinden de voorheen vast-gelopen energieën een gedeeltelijke uitlaatklep en komen vrij in de vorm van diverse vernietigende en zelfvernietigende neigingen. Het is belangrijk om te benadrukken dat opgewonden depressie een dynamische compromis weerspiegelt tussen energetische blokkade en ontlading. Een volledige ontlading van deze energieën zou deze conditie beëindigen en genezing tot gevolg hebben.
Karakteristieke eigenschappen van deze vorm van depressie zijn een hoge mate van spanning, angst, psychomotorische opwinding en rusteloosheid. Mensen die opgewonden depressie ervaren zijn heel actief. Ze rollen over de grond, maken wilde bewegingen met de armen en stoten met hun hoofd tegen de muur. Hun emotionele pijn wordt uitgedrukt in luid gehuil en geschreeuw, en soms krabben ze zichzelf in het gezicht of trekken aan hun haren en kleding. Fysieke symptomen die deze conditie vaak vergezellen zijn beven, last hebben van spierspanningen, pijnlijke krampen, en spasmen van de uterus en ingewanden. Intense hoofdpijn, misselijkheid en ademhalingsproblemen maken het klinische beeld volledig.
De COEX stelsels die aan deze matrix gerelateerd zijn hebben te maken met agressie en geweld, diverse wreedheden, seksueel misbruik, aanranding, verkrachting, pijnlijke medische handelingen en ziektes die gepaard gaan met verstikking en adem-nood. In tegenstelling tot de COEX stelsels van BPM II zijn degenen die met deze situaties te maken krijgen geen passieve slachtoffers; ze vechten actief terug, beschermen zichzelf, werken obstakels uit de weg of ontsnappen. Herinneringen aan gewelddadige interacties met ouderlijke figuren, broers of zussen, vechtpartijen met leeftijdgenoten, seksueel misbruik, verkrachting en militaire veldslagen zijn typische voorbeelden van dergelijke situaties.
De psychoanalytische interpretatie van manie is nog minder bevredigend en overtuigend dan die van depressie, zoals veel psychoanalytici zelf toegeven (Fenichel 1945). De meeste auteurs zijn het er over eens dat manie een manier is om het ervaren van de onderliggende depressie te vermijden, en dat het onder meer gekenmerkt wordt door het ontkennen van een pijnlijke innerlijke werkelijkheid en een vlucht in de uiterlijke wereld. Het weerspiegelt de zege van ego en id over het superego, een drastische afname van remmingen, een toename van zelfwaardering en een overvloed aan sensuele en agressieve impulsen.
Ondanks deze zaken komt manie niet over als ware vrijheid. Psychologische theorieën over manisch-depressieve stoornissen benadrukken de intense tweestrijd van manische patiënten en het feit dat het tegelijkertijd ervaren van liefde en haat in de weg staat van hun vermogen zich aan anderen te binden. De typisch manische obsessie voor objecten wordt meestal gezien als de uiting van sterke orale fixatie, en de periodiciteit van manie en depressie wordt gezien als een indicatie dat ze gerelateerd zijn aan de cyclus van verzadiging en honger.
Veel van de onverklaarbare eigenschappen van manische aanvallen worden begrijpelijk als we zien dat ze gerelateerd zijn aan de dynamiek van de perinatale matrices. Manie is psychogenetisch verbonden aan de experiëntiële overgang van BPM III naar BPM IV. Het laat zien dat het individu deels in contact is met de vierde perinatale matrix maar niettemin beïnvloed wordt door de derde. Aangezien de regressie van de manische persoon helemaal naar de geboorte teruggaat, zijn de orale impulsen progressief en niet regressief. Ze wijzen op de bewustzijnstoestand die het manische individu verlangt maar nog niet bewust bereikt heeft, niet op regressie naar het orale niveau. Ontspanning en orale bevrediging zijn karakteristiek voor de bewustzijnstoestand die op de geboorte volgt. Vredig te zijn, te slapen en te eten – de typische triade van wensen die we zien in manie – zijn de natuurlijke doelen van een organisme dat bestookt wordt door impulsen die verbonden zijn aan de laatste stadia van de geboorte.
In experiëntiële psychotherapie kan men zo nu en dan voorbijgaande manische episodes observeren die de indruk wekken dat men een onvolledige wedergeboorte ervaren heeft. Dit gebeurt meestal wanneer personen in hun transformatieproces het laatste stadium hebben bereikt van de ervaring van dood en wedergeboorte en een voorproefje hebben gekregen van de gevoelens die met de bevrijding van de geboortekwelling gepaard gaan, maar tegelijkertijd niet bereid en niet in staat zijn om het overblijvende onverwerkte materiaal van BPM III onder ogen te zien. Als gevolg van krampachtig vasthouden aan deze onzekere en kwetsbare overwinning, worden de nieuwe positieve gevoelens zodanig geaccentueerd dat ze een karikatuur vormen. De uitdrukking “doen alsof je neus bloedt” is deze aandoening op het lijf geschreven. Het overdreven en buitengewoon krachtige karakter van manische emoties en gedrag verraden duidelijk dat het geen uitingen van ware blijdschap en vrijheid zijn, maar reacties op angst en agressie.
Personen wier LSD sessies eindigen in een toestand van onvolledige weder-geboorte vertonen allemaal de typische tekenen van manie. Ze zijn hyperactief, lopen druk heen en weer, proberen met iedereen in hun omgeving te socialiseren en verbroederen, en praten onophoudelijk over hun gevoel van zege en welzijn, over hun wonderbaarlijke gevoelens en de fantastische ervaring die ze zojuist ervaren hebben. Ze verheerlijken LSD therapie en bedenken Messiaanse en grootse plannen om de wereld te transformeren door het voor iedereen mogelijk te maken hetzelfde te ervaren. Het wegvallen van de remmingen van het superego resulteert in flirtgedrag, overspelige neigingen en obsceen taalgebruik. De extreme zucht naar stimuli en sociaal contact gaat gepaard met een toename van levenslust, zelfliefde en eigenwaarde, maar ook mateloosheid op allerlei levensgebieden.
De voor manische patiënten zo kenmerkende behoefte aan opwinding en het streven naar drama en actie vervullen een tweeledig doel. Aan de ene kant vormen ze een uitlaatklep voor de impulsen en spanningen die deel uitmaken van de geactiveerde BPM III. Aan de andere kant helpt het verzeild raken in uiterlijk turbulente situaties, die passen bij de intensiteit en aard van de innerlijke onrust, de ondraaglijke “emotioneel-cognitieve dissonantie” te verminderen waar manische personen door bedreigd worden – het beangstigende besef dat hun innerlijke ervaringen niet met uiterlijke omstandigheden overeenstemmen. Uiteraard duidt een ernstige discrepantie tussen het innerlijke en uiterlijke op krankzinnigheid.
Otto Fenichel (1945) wees er op dat veel belangrijke aspecten van manie deze aandoening relateren aan de psychologie van de carnavalsviering, een gelegenheid die het mogelijk maakt zich op een maatschappelijk gesanctioneerde wijze aan de normaliter gesproken verboden impulsen over te geven. Dit bevestigt nogmaals de diepe relatie tussen manie en de dynamische overgang van BPM III naar BPM IV. In de laatste stadia van het geboorte-wedergeboorte proces ervaren veel mensen spontaan visioenen van kleurrijke carnavalstaferelen. Net als in de werkelijke mardi gras op-tochten kunnen deze visioenen in de context van uitbundige feestviering schedels, skeletten en andere aan de dood gerelateerde symbolen en thema’s vertonen. In holotrope bewustzijnstoestanden vindt dit plaats tijdens het hoogtepunt van BPM III, wanneer we het gevoel krijgen dat we zullen zegevieren en onze confrontatie met de dood zouden kunnen overleven.
Wanneer personen die deze toestand beleven ervan kunnen worden overtuigd de aandacht naar binnen te richten, de onverwerkte emoties onder ogen te zien en het (weder)geboorteproces af te maken, verdwijnt de manische aard van hun stemming en gedrag. In haar zuivere vorm wordt BPM IV beleven als stralende blijdschap, een toename van levensvreugde, diepe ontspanning, kalmte en helderheid. In deze bewustzijnstoestand hebben mensen een gevoel van innerlijke vrede en totale vervulling. Hun vreugde en euforie worden niet opgeblazen tot het punt van een belachelijke karikatuur en hun gedrag heeft niet de geforceerde en opzichtige eigenschappen die zo ken-merkend zijn voor manische bewustzijnstoestanden.
De COEX stelsels die psychogenetisch aan manie gerelateerd zijn bestaan uit herinneringen aan situaties waarin bevrediging ervaren werd onder omstandigheden van onzekerheid over de oprechtheid en voortzetting van die vervulling. Op dezelfde manier bestendigt de verwachting of opeising van vrolijk gedrag in situaties die dit niet rechtvaardigen het manische patroon. Daarnaast stuit men in de historie van manische patiënten regelmatig op tegenstrijdige invloeden op hun gevoel van eigenwaarde, zoals overmatig kritische en ondermijnende houdingen van één ouder afgewisseld door over-schatting, psychologische inflatie en onrealistische verwachtingen van de andere. Ik heb ook in meerdere van mijn Oost-Europese patiënten geobserveerd dat de afwisselende ervaring van totale beperking en volledige vrijheid die kenmerkend is voor het inbakeren van pasgeborenen psychogenetisch aan manie was gerelateerd.
Alle hierboven beschreven observaties uit experiëntiële psychotherapie suggereren dat biologische geboorte, met haar plotselinge overgang van doodstrijd naar dramatische bevrijding, de natuurlijke basis vormt voor de wisselende patronen van manisch-depressieve aandoeningen. Dit sluit uiteraard niet uit dat in het klinische beeld ook biochemische factoren een rol spelen. Zo zou het heel goed kunnen dat positieve en negatieve COEX constellaties een specifiek biochemisch beeld hebben of zelfs selectief geactiveerd kunnen worden door bepaalde chemische veranderingen in het lichaam. Maar zelfs al kon onderzoek aantonen dat depressie en manie een voorspelbaar biochemisch beeld hebben, dan zou dit op zichzelf de complexe aard en specifieke psychologische eigenschappen van deze emotionele aandoeningen nog niet verklaren.
Het is moeilijk een situatie voor te stellen waarin de chemische omstandigheden duidelijker gedefinieerd zijn dan in een klinische LSD sessie. En toch geeft onze kennis van de exacte chemische samenstelling van het middel en de toegediende dosis geen verklaring voor de psychologische inhoud van de ervaring. Afhankelijk van de dosering kan degene die LSD toegediend krijgt extatische vervoering ervaren of juist een depressieve, manische of paranoïde bewustzijnstoestand. Op dezelfde manier kunnen de complexe klinische beelden van spontaan optredende depressie en manie niet verklaard worden op basis van een simpele chemische vergelijking. De vraag blijft altijd of biologische factoren bij deze aandoeningen een causale rol spelen of dat ze enkel gelijktijdig optredende symptomen zijn. Zo zou het kunnen dat de fysiologische en biochemische veranderingen in een manisch-depressieve aandoening een herhaling zijn van de lichamelijke veranderingen die in het kind plaatsvinden tijdens de geboorte.
Het nieuwe concept van depressie, waarin de dynamiek van de basale perinatale matrices (BPM I, II, III en IV) een belangrijke rol speelt, is een bron van fascinerende nieuwe inzichten aangaande de psychologie van zelfmoord, een verschijnsel dat in het verleden een zwaar theoretisch obstakel vormde voor psycho-analytisch georiënteerde interpretaties. Elke theorie die het fenomeen zelfmoord probeert te verklaren zal twee belangrijke vragen moeten beantwoorden. De eerste daarvan is waarom een bepaald individu zelfmoord wil plegen, een handeling die indruist tegen de normaliter blind gehoorzaamde impuls tot zelfbehoud, een krachtig principe dat in de natuur de evolutie van het leven voortstuwt. De tweede, net zo moeilijk te beantwoorden vraag is waarom mensen voor een specifieke vorm van zelf-moord kiezen. Het lijkt er op dat er een nauw verband bestaat tussen de geestestoestand van het depressieve individu en het type zelfmoord dat hij of zij overweegt of begaat.
De drang tot zelfmoord is daarom niet eenvoudigweg een impuls om het leven te beëindigen, maar ook om het op een bepaalde manier te doen. Het lijkt misschien vanzelfsprekend dat iemand die een overdosis kalmerings- of slaapmiddelen inneemt niet van een klif of voor een trein zal springen. Maar de selectieve aard van de keuze geldt ook omgekeerd: een persoon die kiest voor een bloederige zelfmoord zou geen gebruik maken van medicijnen, ook niet als hij ze makkelijk zou kunnen bemachtigen. De observaties uit psychedelisch onderzoek en andere vormen van diep experiëntieel werk met holotrope bewustzijnstoestanden werpen nieuw licht op de diepe motivaties van zelfdoding en voor de intrigerende kwestie van welke vorm van zelfmoord men verkiest.
Suïcidale gedachten en neigingen kunnen zich aandienen in elk stadium van het werk met holotrope bewustzijnstoestanden. Ze komen echter vooral veel voor en worden met name als dringend ervaren wanneer men te maken krijgt met onbewust materiaal dat gerelateerd is aan de negatieve perinatale matrices. Observaties uit psychedelische sessies, holotroop ademwerk en spirituele noodtoestanden laten zien dat zelfmoordneigingen in twee duidelijk te onderscheiden categorieën onder te verdelen zijn die beide specifiek gerelateerd zijn aan het perinatale proces. We hebben al gezien dat de ervaring van geremde depressie dynamisch gerelateerd is aan BPM II en dat opgewonden depressie een voortvloeisel is van BPM III. Verschillende suïcidale fanta-sieën, neigingen en handelingen kunnen zo gezien worden als onbewust gemotiveerde pogingen om aan deze ondraaglijke psychologische toestanden te ontsnappen door gebruik te maken van deze twee routes. Elk van deze weerspiegelt een specifiek aspect van de vroege biologische historie van het individu.
De eerste, niet-gewelddadige zelfmoord, is gebaseerd op de onbewuste herinnering dat de geen-uitweg situatie van BPM II vooraf was gegaan door de ervaring van een intra-uterien bestaan. Een persoon die lijdt aan geremde depressie probeert aan de ondraaglijke ervaring van de tweede perinatale matrix te ontsnappen op een manier die in deze toestand het makkelijkst gerealiseerd kan worden, namelijk regressie naar de oorspronkelijke ongedifferentieerde eenheid van de prenatale toestand (BPM I). Er is meestal geen toegang tot het niveau van het onbewuste dat bij dit proces betrokken is, tenzij het individu de kans krijgt zich bezig te houden met diepe experiëntiële zelf-verkenning. Zonder dit noodzakelijke inzicht in de situatie raakt hij of zij in het leven van alledag aangetrokken tot situaties en middelen die gelijkenissen vertonen met de prenatale situatie.
De onbewuste intentie die aan deze soort zelfmoordneigingen en -handelingen ten grondslag ligt is het verminderen van de pijnlijke stimuli van BPM II en deze uiteindelijk geheel te beëindigen. Het uiteindelijke doel is het bereiken van een ongedifferentieerde staat van “oceanisch bewustzijn” dat kenmerkend is voor het embryonale bestaan. Milde vormen van dit soort suïcidale gevoelens uiten zich als een wens niet te bestaan, of in een diepe slaap te vallen, alles te vergeten en nooit meer wakker te worden. Tot de daadwerkelijke plannen en pogingen in deze groep behoren het innemen van hoge doseringen kalmeringsmiddelen of slaappillen, zelfverdrinking, en inhalatie van koolmonoxide of aardgas.
In de winter kan deze drang om naar de baarmoeder terug te keren de vorm aannemen van een wandeling de natuur in, waarbij men gaat liggen en zich laat bedekken door een laag sneeuw. De fantasie achter deze situatie is dat het aanvankelijke ongemak van bevriezen verdwijnt en plaats zal maken voor gevoelens van knusheid en warmte, zoals het verblijf in de goede baarmoeder. Zelfmoord door middel van het doorsnijden van de polsen in een bad vol warm water behoort ook tot deze categorie. Het op deze wijze beëindigen van het leven was modieus in het oude Rome en werd toegepast door zulke gerenommeerde figuren als Petronius en Seneca. Deze vorm van zelfmoord lijkt op het eerste gezicht van de anderen in deze categorie te verschillen, aangezien er bloed bij betrokken is. De psychologische focus is echter het oplossen van grenzen en opgaan in een waterige omgeving, niet het lichaam geweld aan te doen.
De andere variant, opgewonden zelfmoord, volgt onbewust het patroon dat ervaren werd gedurende de biologische geboorte. Het is nauw verbonden aan de opgewonden vorm van depressie en is gerelateerd aan BPM III. Voor iemand die wordt beïnvloed door deze matrix is regressie naar de oceanische toestand van de baarmoeder een onmogelijke opgave, omdat dit de persoon door het helse geen-uitweg stadium van BPM II zou voeren. Dit zou in psychologisch opzicht vele malen erger zijn dan BPM III, aangezien het gepaard gaat met een gevoel van totale uitzichtloosheid en wanhoop.
Wat echter beschikbaar is als een psychologische nooduitgang is de herinnering dat ooit een soortgelijke toestand beëindigd werd door een explosieve bevrijding op het moment van de biologische geboorte. Om deze vorm van zelfmoord te begrijpen, is het belangrijk om te beseffen dat we tijdens onze biologische geboorte wel in anatomisch opzicht geboren zijn, maar dat we deze overweldigende gebeurtenissen niet emotioneel en fysiek geïntegreerd hebben. De persoon die een gewelddadige zelfmoord overweegt, gebruikt de herinnering aan zijn of haar biologische geboorte als voorbeeld voor het beleven van de “tweede geboorte”, namelijk het boven laten komen van niet-geassimileerde emoties en fysieke gewaarwordingen opdat ze bewust verwerkt kunnen worden.
Zoals het geval is bij de geweldloze zelfmoord hebben de personen die in dit proces betrokken zijn meestal geen experiëntiële toegang tot het perinatale niveau van het onbewuste. Het ontbreekt hen dus aan het inzicht wat in hun situatie de beste strategie is, namelijk het innerlijk voltooien van dit proces – het herbeleven van de herinnering van hun geboorte en zich op een experiëntieel niveau verbinden met de postnatale situatie. Zich niet bewust van deze optie volbrengen ze het proces buiten zichzelf en neigen ernaar in de externe wereld een situatie te creëren waarin dezelfde elementen en soortgelijke experiëntiële componenten voorkomen. De algemene strategie van gewelddadige zelfmoord volgt het patroon dat men tijdens de bevalling ervaarde – een kritieke toename van spanning en emotioneel leed, en een explosieve verlossing te midden van allerlei soorten lichamelijk materiaal.
Deze beschrijving heeft evenzeer betrekking op de biologische geboorte als op gewelddadige zelfmoord. Bij beiden is er sprake van een abrupte beëindiging van buitensporige emotionele en fysieke spanning, onmiddellijke verlichting van enorme destructieve en zelfvernietigende energieën, veel weefselschade, en de aanwezigheid van organisch materiaal, zoals bloed, ontlasting en ingewanden. Leggen we foto’s van een bevalling naast foto’s van een gewelddadige zelfmoord, dan zien we duidelijk de gelijkenissen tussen de twee situaties. Op deze wijze verwart het onbewuste dus makke-lijk de ene situatie met de andere. Het verband tussen het type geboortetrauma en de verkozen vorm van zelfmoord is bevestigd door klinisch onderzoek (Jacobson et al. 1987).
De suïcidale fantasieën en handelingen die tot deze categorie behoren zijn sterven onder de wielen van een trein, in de turbine van een hydro-elektrische centrale, of in een bewust veroorzaakt auto-ongeluk. Andere voorbeelden zijn het doorsnijden van de keel, een kogel door de hersenen schieten, zichzelf met een mes steken, of springen uit een raam, van een toren of van een klif. Zelfmoord door zich op te hangen lijkt verbonden te zijn met de beginfase van BPM III, dat gekenmerkt wordt door wurging, verstikking en sterke seksuele opwinding. Tot de categorie gewelddadige zelf-moord behoren ook cultuurgebonden vormen van zelfmoord zoals harakiri, kamikaze en amok maken.
Deze laatste drie werden in het verleden gezien als exotische varianten van suïcidaal gedrag die uitsluitend voorkwamen in Oosterse culturen. De laatste paar jaar zijn taferelen vergelijkbaar met het amok maken, waarbij zonder onderscheid om-standers vermoord worden en de aanvaller uiteindelijk zelf sterft, steeds algemener geworden in de Verenigde Staten en andere Westerse landen. Een heel verontrustend aspect van deze taferelen is hun toenemende frequentie onder jongeren en zelfs schoolkinderen. Kamikaze-achtig gedrag zien we in Arabische landen rond het Midden-Oosten herhaaldelijk toegepast worden als een vorm van sabotage.
Het werk met holotrope bewustzijnstoestanden heeft ook fascinerende inzichten verschaft inzake het intrigerende vraagstuk aangaande de keuze die men maakt voor een bepaald type en specifieke vorm van zelfmoord, hetgeen in het verleden niet goed begrepen werd. Geweldloze zelfmoord weerspiegelt een algemene neiging de intensiteit van de pijnlijke emotionele en fysieke stimuli te verminderen. De specifieke keuze voor dit type zelfmoord lijkt te worden bepaald door biografische of trans-persoonlijke elementen. Bij gewelddadige zelfmoord is een heel ander mechanisme betrokken. Wat dit betreft heb ik herhaaldelijk gezien dat personen die deze soorten zelfmoord overwogen vaak al in hun dagelijkse leven de fysieke gewaarwordingen en emoties ervaarden die bij de daadwerkelijke uitvoering betrokken zouden zijn. Vaak intensiveerde experiëntieel werk deze gevoelens en gewaarwordingen, wat voor onmiddellijke verlichting zorgde.
Personen wier zelfvernietigende fantasieën en neigingen zich richten op treinen en hydro-elektrische turbines lijden zodoende al aan een intens gevoelen geplet en aan stukken gescheurd te worden. Personen die de drang voelen zich met een mes te snijden of steken klagen vaak over ondraaglijke pijnen op precies die plaatsen in hun lichaam die ze willen verwonden, of ervaren tijdens experiëntiële psychotherapie op die plekken pijn. Zo is ook de neiging zichzelf op te hangen gebaseerd op reeds aanwezige gevoelens van wurging en verstikking. Zowel de pijn als de gevoelens van verstikking zijn makkelijk te herkennen als elementen van BPM III. Als het toenemen van de symptomen zou plaatsvinden binnen een therapeutische context en met de juiste begeleiding dan zou het kunnen resulteren in de beëindiging van die onprettige gewaarwordingen, en therapeutische verbetering te zien geven. De bovengenoemde zelfvernietigende neigingen kunnen zodoende gezien worden als onbewuste, misleidde en afgeknotte pogingen tot zelfgenezing.
Het mechanisme achter gewelddadige zelfmoord vergt een relatief heldere herinnering aan de levensstrijd in het geboortekanaal en de hier plotseling op volgende explosieve bevrijding. Als deze overgang niet helder en duidelijk ervaren werd omdat er sprake was van zware verdoving, dan zal het individu voor de toekomst geprogrammeerd zijn, op een haast cellulair niveau, om van ernstige stress en ongemak te ontsnappen door toevlucht te nemen tot een bedwelmde roes. Dit zou aanleg geven voor alcoholisme en drugsmisbruik in een persoon die anders gedomineerd zou zijn door BPM III.
In extreme gevallen kan dit leiden tot een zelfmoord door een overdosis drugs. In de studie van individuele suïcidale gevallen moet gedetailleerd onderzoek van het geboorteproces aangevuld worden met biografische analyse, aangezien postnatale gebeurtenissen het patroon van de zelfmoord beduidend kunnen beïnvloeden en kleuren.
Wanneer suïcidale personen psychedelische of holotrope therapie ondergaan en het proces van dood en wedergeboorte voltooien, zien ze zelfmoord als een tragische vergissing ten gevolge van een gebrek aan zelfbegrip. De meeste mensen weten niet dat je op een veilige manier bevrijding van de ondraaglijke emotionele en fysieke spanning kunt ervaren, door middel van een symbolische dood en wedergeboorte, of door je te verbinden met de bewustzijnstoestand van het prenatale bestaan. Door deze onwetend-heid kunnen sommige mensen zich door de intensiteit van het innerlijk ongemak aangespoord voelen om in de materiële wereld een situatie op te zoeken waarin soortgelijke elementen vertegenwoordigd zijn. Het extreme gevolg hiervan is vaak tragisch en onomkeerbaar.
Deze bespreking van zelfmoord zou niet compleet zijn zonder de relatie te noemen die bestaat tussen zelfvernietigend gedrag en transcendentie. BPM I en BPM IV vertegenwoordigen zoals we eerder al zagen niet alleen regressie naar symbiotische biologische omstandigheden, maar hebben ook uitgesproken spirituele dimensies. Voor BPM I is dat de ervaring van oceanische extase en kosmische eenheid, voor BPM IV is het de psychospirituele wedergeboorte en plotselinge goddelijke vervoering. Vanuit dit perspectief lijken beide soorten zelfmoord een vervormde en niet herkende zucht naar transcendentie te zijn. Ze vertegenwoordigen een fundamentele verwarring tussen zelfdoding en egododing. De beste remedie voor zelfvernietigende neigingen en de drang tot zelfmoord is daarom de ervaring van ego-dood en wedergeboorte, en de hierop volgende gevoelens van kosmische eenheid.
Behalve dat de agressieve en zelfvernietigende impulsen geconsumeerd worden in het proces van psychospirituele dood en wedergeboorte, verbindt het individu zich experiëntieel met de transpersoonlijke context, waarin zelfmoord niet langer als een oplossing gezien wordt. Dit gewaarworden van de zinloosheid van zelfmoord is verbonden met het inzicht dat de transformaties van bewustzijn en de cycli van dood en wedergeboorte zullen voortduren na de dood van het organisme. Men beseft zich dat het onmogelijk is om van karmische patronen te ontvluchten.

Alcoholisme en verslaving aan harddrugs

De observaties uit holotrope bewustzijnstoestanden komen in het algemeen overeen met de psychoanalytische theorie die alcoholisme en verslaving aan verdovende middelen ziet als nauw gerelateerd aan manisch-depressieve aandoeningen en zelfmoord. Maar ze verschillen beduidend van elkaar wat de aard betreft van de psychologische mecha-nismen die er bij betrokken zijn en het niveau van de psyche waarop ze hun invloed uitoefenen. Net als suïcidale personen ervaren verslaafden een enorme hoeveelheid emotionele pijn, zoals depressie, algemene spanning, bezorgdheid, schuldgevoelens en een laag gevoel van eigenwaarde, en ze voelen een sterke behoefte aan deze ondraag-lijke gevoelens te ontsnappen. We zagen eerder al dat de psychologie van depressie en zelfmoord niet afdoende verklaard kan worden door orale fixatie, de interpretatie die aangedragen wordt door de freudiaanse psychoanalyse. Hetzelfde geldt voor alcoholisme en drugsverslaving.
De meest basale psychologische eigenschap van alcoholisten en verslaafden, en hun diepste drijfveer om bedwelmende drugs te gebruiken, is niet alleen een behoefte om opnieuw de moederborst te ervaren, maar ook een veel diepere zucht naar de vreugdevolle, ongedifferentieerde eenheid van het ongestoorde leven in de baarmoeder. Zoals we eerder zagen hebben regressies naar beide symbiotische toestanden intrinsieke numineuze dimensies. De diepste drijfveer van alcoholisme en verslaving is daarom een misleidde en niet als zodanig herkende zucht naar transcendentie. Net als bij zelfmoord is bij deze aandoeningen sprake van een tragische vergissing ten gevolge van onvol-doende begrip van de eigen onbewuste drijfveren.
In ons psychedelische en holotrope onderzoek vertelden alcoholisten en drugsverslaafden die de kans kregen en het geluk hadden op experiëntieel niveau de positieve BPM IV en BPM I te ervaren ons herhaaldelijk dat dit de bewustzijnstoestanden waren waar ze werkelijk naar gehunkerd hadden, niet de alcoholische of narcotische intoxicatie. Maar totdat ze prenatale en perinatale bevrediging hadden ervaren, wisten ze niet echt waar ze naar zochten en was het onduidelijk waar ze naar verlangden.
Buitensporige consumptie van alcohol en verdovende middelen lijkt een afge-zwakte vorm van suïcidaal gedrag te zijn. Alcoholisme en verslaving worden vaak omschreven als langdurige en trage vormen van zelfdoding. Het belangrijkste mechanisme dat karakteristiek is voor deze twee groepen patiënten is hetzelfde als voor de geweldloze vorm van zelfmoord. Het weerspiegelt een onbewuste behoefte om het geboorteproces ongedaan te maken en terug te keren naar de baarmoeder, naar de toestand die bestond voordat de bevalling begon. Alcohol en verdovende middelen gaan pijnlijke emoties en gewaarwordingen doorgaans tegen en produceren een staat van diffuus bewustzijn en een onverschilligheid tegenover problemen uit het verleden en heden. Deze bewustzijnstoestand vertoont een oppervlakkige gelijkenis met het bewustzijn van de foetus en de ervaring van kosmische eenheid.
Maar gelijkenis vertonen is niet hetzelfde als identiek zijn, en er zijn dan ook enkele fundamentele verschillen tussen alcoholische of narcotische intoxicatie aan de ene kant en transcendente bewustzijnstoestanden aan de andere. Alcohol en narcotica maken de zintuigen minder scherp, vervagen het bewustzijn, verstoren de functies van het intellect en produceren emotionele verdoving. Transcendente bewustzijnstoestanden kenmerken zich door een scherpere zintuiglijke waarneming, vredigheid, helderheid van gedachten, een overvloed aan filosofische en spirituele inzichten, en een ongebruikelijke verscheidenheid aan emoties. Ondanks dat ze bepaalde aspecten gemeen hebben, is de intoxicatie van alcohol en harddrugs slechts een betreurenswaardige karikatuur van de mystieke bewustzijnstoestand. Maar hoe oppervlakkig de gelijkenis ook is, het lijkt voldoende te zijn om de verslaafden tot zelfvernietigend misbruik te verleiden.
De neiging om pijnlijke emoties van BPM II en gerelateerde COEX systemen te ontvluchten door de intra-uterine situatie na te bootsen lijkt het meest algemene psychodynamische mechanisme te zijn dat ten grondslag ligt aan alcoholisme en drugsmisbruik. Ik heb echter ook gewerkt met alcoholisten en verslaafden wier symptomen er op wezen dat ze beïnvloed werden door BPM III waren en toch een farmacologische oplossing voor hun problemen zochten. Het is duidelijk dat bij deze gevallen een ander mechanisme betrokken was en een andere uitleg was vereist. Al deze mensen bleken geboren te zijn onder zware verdoving, en velen van hen kwamen zelfstandig tot het inzicht dat er een verband bestond tussen dit gegeven en hun verslaving.
Deze verklaring is zeker zinnig. Geboorte is doorgaans de eerste grote uitdaging die we in ons leven aan moeten gaan en de eerste pijnlijke en stressvolle situatie. Een mogelijke uitzondering op deze regel zijn situaties waarin noodtoestanden al tijdens het embryonale bestaan plaatsvonden. Het principe dat gebeurtenissen die vroeg in het leven plaatsvinden een diepe uitwerking hebben op het verdere gedrag is herhaaldelijk aangetoond in experimenten van ethologen, onderzoekers die instinctief diergedrag bestuderen, en staat bekend als “inprenting” (Lorenz 1963, Tinbergen 1965).
De aard van ons geboorteproces en de manier waarop er mee om werd gegaan heeft een krachtige impact op ons toekomstige leven. Wanneer de bevalling van een gemiddelde duur en hevigheid was en we ter wereld kwamen nadat we ons hier succesvol doorheen geslagen hadden, laat het een gevoel achter van optimisme en zekerheid aangaande toekomstige uitdagingen. Omgekeerd creëert een lange en proble-matische bevalling een gevoel van pessimisme en moedeloosheid. Het geeft een indruk van de wereld als zijnde te problematisch om succesvol mee om te gaan, en van onszelf als hulpeloos en ineffectief.
Als de pijn en het ongemak van onze geboorte verlicht of beëindigd worden door verdoving, dan laat dit in onze psyche een diepe en overtuigende indruk achter dat het ontvluchten van de werkelijkheid door middel van drugs de beste manier is om met moeilijkheden om te gaan. Het is waarschijnlijk geen toeval dat bij de huidige epidemie van drugsmisbruik personen betrokken zijn die geboren zijn sinds de tijd dat verloskundigen tijdens bevallingen routinematig verdoving gingen toepassen, vaak tegen de wil in van de bevallende moeders. Sinds de oprichting van de Vereniging van Prenatale en Perinatale Psychologie (APPPAH), die de inzichten uit experiëntiële therapieën en foetaal onderzoek toepast op bevallingen, zijn verloskundigen steeds bewuster geworden van het feit dat er bij het bevallen meer betrokken is dan enkel de mechanische processen van het lichaam.
De manier waarop met de bevalling en postnatale periode wordt omgegaan, heeft een enorme invloed op het emotionele en sociale leven van het individu en heeft belangrijke gevolgtrekkingen voor de toekomst van onze samenleving. Het legt de basis voor een liefdevolle en altruïstische relatie tussen mensen, of omgekeerd voor een wantrouwende en agressieve houding tegenover de samenleving (Odent 1995). Het zou ook wel eens de beslissende factor kunnen zijn die bepaalt of iemand in staat is een constructief leven te leiden, of de neiging heeft om de uitdagingen van het bestaan te ontvluchten door zijn toevlucht te nemen tot alcohol of verdovende middelen.
Het feit dat misbruik van alcohol en narcotische drugs een misleidde zoektocht naar transcendentie vertegenwoordigen, kan ons helpen te begrijpen waarom bepaalde diepe crisistoestanden, aangeduid als “de bodem raken”, een genezend en transforme-rend effect kunnen hebben. In veel gevallen is deze toestand van volslagen emotionele uitputting en ondergang een omslagpunt in het leven van de alcoholist of drugsverslaafde. In de context van deze uiteenzetting betekent dit dat de persoon als onderdeel van de overgang van BPM III naar BPM IV een ego-dood ervaring heeft. Op dit punt kunnen alcohol en verdovende middelen hem of haar niet langer beschermen tegen de uitbarsting van het diepe onbewuste materiaal. De uitbarsting van de perinatale dynamiek resulteert vervolgens in een psychosomatische ervaring van dood en wedergeboorte, die vaak een positief keerpunt in het leven van de alcoholist of verslaafde blijkt te zijn. De therapeutische implicaties van deze observatie zullen verderop in dit boek besproken worden.
Zoals alle emotionele problemen hebben alcoholisme en verslaving niet alleen biografische en perinatale maar ook transpersoonlijke wortels. Op dit gebied zijn de invloeden uit het domein van de archetypen van het grootste belang. Dit aspect van verslaving is met name onderzocht door therapeuten met een jungiaanse achtergrond. Onder de archetypen die een belangrijk verband met verslaving vertonen, speelt die van de puer aeternus (“eeuwig kind”), met zijn varianten Icarus en Dionysos, een belangrijke rol (Lavin 1987). Veel mensen met wie ik samengewerkt heb, ontdekten ook karmisch materiaal dat betekenisvol aan hun verslaving gerelateerd was.

Seksuele stoornissen en afwijkingen

In de klassieke psychoanalyse berust de interpretatie van seksuele problemen op diverse fundamentele freudiaanse concepten. De eerste hiervan is het idee van de infantiele seksualiteit. Een van de fundamentele hoekstenen van psychoanalytische theorie is dat seksualiteit zich niet pas in de puberteit ontwikkelt maar reeds in de vroege kindertijd. Terwijl het libido diverse ontwikkelingsstadia doormaakt – orale, anale, urethrale en fallische – kan frustratie of overdaad in elk van hen tot fixatie leiden. In volwassen seksualiteit is de primaire focus gericht op het genitale en spelen de pregenitale componenten een secundaire rol, met name als onderdeel van het voorspel. Specifieke psychologische stress in het latere leven kan zorgen voor regressie naar de eerdere libidinale ontwikkelingsstadia waarin de fixatie plaatsvond. Afhankelijk van de kracht van de afweermechanismen die deze impulsen tegengaan, kan dit resulteren in perversies of psychoneuroses (Freud 1953).
Een ander belangrijk concept in de psychoanalytische benadering van seksuele problemen is het castratie-complex. Freud geloofde dat beide geslachten extreem veel waarde hechten aan de penis en hij beschouwde deze kwestie van het grootste belang voor de psychologie. Volgens hem ervaren jongens buitensporige angst dat ze dit zo gewaardeerde orgaan zullen verliezen. Meisjes geloven dat ze ooit een penis hadden en deze verloren zijn, wat hen vatbaar maakt voor masochisme en schuldgevoelens. De critici van Freud wezen er voortdurend op dat dit gezichtspunt een ernstige misvorming en misinterpretatie van de vrouwelijke seksualiteit vertegenwoordigt, aangezien het vrouwen omschrijft als gecastreerde mannen.
De bespreking van Freud’s kijk op seksualiteit zou niet compleet zijn zonder een ander belangrijk concept te noemen, zijn beroemde vagina dentata, of de observatie dat kinderen de vrouwelijke genitaliën zien als een gevaarlijk orgaan uitgerust met tanden die je kunnen doden of castreren. Samen met het Oedipus complex, Elektra complex en castratie-complex speelt de inbeelding van onheilspellende vrouwelijke geslachtsdelen een cruciale rol in de psychoanalytische interpretatie van seksuele afwijkingen en psychoneuroses.
Freud suggereerde twee redenen waarom de aanblik van vrouwelijke genitaliën bij jongens angst oproept. Allereerst leidt de erkenning dat er mensen bestaan die geen penis hebben tot de conclusie dat men zelf ook zo’n mens kan worden, wat de angst voor castratie versterkt. Daarnaast is het waarnemen van het vrouwelijk geslachtsdeel als een castratie-instrument dat kan bijten het gevolg van associatie met oude orale angsten (Fenichel 1945). Geen van deze twee redenen is erg waarschijnlijk of overtuigend.
De observaties uit holotrope bewustzijnstoestanden verruimen en verdiepen het freudiaanse begrip van seksualiteit door aan het individuele onbewuste het perinatale domein toe te voegen. Ze suggereren dat we onze eerste seksuele gevoelens niet aan de moederborst ervaarden, maar al in het geboortekanaal. Zoals ik eerder al zei, wekken de verstikking en foltering tijdens BPM III een seksuele opwinding van extreme intensiteit op. Dit betekent dat onze eerste kennismaking met seksuele gevoelens plaatsvindt onder zeer gevaarlijke omstandigheden.
Het geboorteproces is een situatie waarin ons leven bedreigd wordt en we verstikking en andere vormen van extreem fysiek en emotioneel ongemak ervaren. We doen een ander organisme pijn en het andere organisme doet ons pijn. Daarnaast zijn we in aanraking met allerlei vormen van biologisch materiaal – bloed, vaginale uit-scheidingen, baarmoedervloeistof en mogelijk zelfs feces en urine. De typische reactie op deze hachelijke situatie is een combinatie van doodsangst en woede. Deze problematische associaties vormen de natuurlijke basis voor de bekende seksuele dysfuncties, afwijkingen en perversies.
De diepe invloed die de perinatale dynamiek heeft op onze seksualiteit ver-heldert ook sommige ernstige theoretische problemen die verbonden zijn aan Freud’s concept van het castratie-complex. Diverse belangrijke karaktereigenschappen van dit complex zijn onverklaarbaar zolang we het aan de penis relateren. Volgens Freud is de intensiteit van de castratie-angst zo buitensporig dat het even hevig is als angst voor de dood. Volgens hem staat castratie in psychologisch opzicht gelijk aan het verlies van een belangrijke menselijke relatie en kan het zelfs door zo’n verlies geactiveerd worden. Onder de vrije associaties die vaak bovenkomen in relatie tot het castratie-complex hebben vele betrekking op situaties waarbij er sprake was van verstikking en ademnood. En zoals ik eerder al zei, treft men het castratie-complex in zowel mannen als vrouwen aan.
Geen van de bovengenoemde verbanden kunnen afdoende verklaard worden als het castratie-complex alleen betrekking zou hebben op angst voor het verliezen van de penis. Observaties uit holotrope bewustzijnstoestanden laten zien dat de ervaringen, welke Freud als de oorzaak van het castratie-complex zag, feitelijk slechts de bovenlaag vormen van een COEX stelsel dat betrekking heeft op de traumatische herinnering van het verbreken van de navelstreng. Alle tegenstrijdigheden die ik eerder noemde ver-dwijnen wanneer we ons beseffen dat vele onbegrijpelijke karakteristieken van Freud’s castratie-complex feitelijk betrekking hebben op het moment van scheiding van de moeder toen de navelstreng doorgeknipt werd, en niet op het verlies van de penis.
In tegenstelling tot grappig bedoeld dreigen met castratie door volwassenen, spontane castratiefantasieën en zelfs operatieve ingrepen van de penis, zoals besnijdenis of het corrigeren van voorhuidsvernauwing (fimosis), wordt het verbreken van de navelstreng geassocieerd met een situatie die potentieel of daadwerkelijk levens-bedreigend is. Aangezien het de verbinding met het moederlijk organisme verbreekt, is dit het prototypische verlies van een belangrijke relatie. Het verband tussen het doorknippen van de navelstreng en verstikking is ook zeer vanzelfsprekend, aangezien de navelstreng de foetus van zuurstof voorziet. En misschien wel het belangrijkste punt is dat het een ervaring is die door beide geslachten ervaren wordt.
Ook het beeld van de “vagina dentata” dat door Freud gezien werd als een primitieve, infantiele inbeelding, wordt begrijpelijk wanneer we accepteren dat de pasgeborene een bewust wezen is of dat het geboortetrauma op zijn minst in het geheugen wordt opgeslagen. In plaats van een absurd en kinderachtig verzinsel van een onvolwassen psyche weerspiegelt het beeld van de vagina als levensgevaarlijk orgaan op correcte wijze de gevaren die verbonden zijn aan de vrouwelijke geslachtsorganen in een bepaalde situatie, namelijk de bevalling. Verre van een verzinsel dat geen basis heeft in de werkelijkheid, vertegenwoordigt het een generalisatie van wat men ervaren heeft in een levensbedreigende situatie, geprojecteerd op een context waarin dat niet toepasselijk is.
Het verband tussen seksualiteit en het potentieel levensbedreigende geboortetrauma schept een algemene vatbaarheid voor allerlei seksuele stoornissen. Specifieke aandoeningen ontwikkelen zich wanneer deze perinatale elementen door postnatale trauma’s in de zuigelingenperiode en kindertijd bestendigd worden. Zoals het geval is met emotionele en psychosomatische stoornissen in het algemeen bestendigen de traumatische ervaringen, die door psychoanalytici gezien worden als de primaire oorzaken van deze problemen, bepaalde aspecten van het geboortetrauma en zorgen ervoor dat ze bewust ervaren kunnen worden. En zoals veel andere psychogene stoornissen hebben seksuele problemen in de regel ook diepere wortels in het transpersoonlijke domein, waarbij ze verbonden zijn aan diverse karmische, archetypische en fylogenetische elementen. Na deze algemene introductie zal ik nu een kort overzicht geven van de inzichten uit holotrope bewustzijnstoestanden aangaande verschillende specifieke vormen van seksuele beleving en gedrag.
Homoseksualiteit heeft vele verschillende soorten en subtypes en wordt zonder twijfel door verschillende zaken bepaald. In de vroege ontwikkelingsstadia is het menselijk embryo anatomisch en fysiologisch biseksueel. Homo-erotische experimen-tatie in de kindertijd komt veelvuldig voor, zelfs onder jongens en meisjes die als volwassenen onmiskenbaar heteroseksueel worden. In situaties waarin geen heteroseksuele keuzes gemaakt kunnen worden, zoals in gevangenissen, militaire dienst of lange verblijven op zee, is het niet ongebruikelijk dat heteroseksuele personen hun toevlucht nemen tot homoseksuele activiteiten. Sommige inheemse Indianenstammen erkennen en eren niet twee of vier, maar zes verschillende seksen (Tafoya 1994).
Seksuele voorkeur en gedrag kunnen beïnvloed worden door genetische aanleg en door hormonen, evenals culturele, sociale en psychologische factoren. Onderzoek van de holotrope bewustzijnstoestand verschaft toegang tot diepe onbewuste drijfveren en geeft interessante psychologische inzichten die niet op een andere manier verkregen kunnen worden. Dit werk wijst op het bestaan van perinatale en transpersoonlijke determinanten van seksueel gedrag. Het draagt zodoende een interessant stukje bij aan het mozaïek van onze kennis aangaande seksuele voorkeuren, dat reeds door allerlei andere disciplines vergaard is. De volgende bespreking moet vanuit dat perspectief gezien worden.
Mijn klinische ervaring met homoseksualiteit was enigszins bevooroordeeld, aangezien het zich in grote mate beperkte tot individuen die in behandeling waren gegaan omdat ze hun homoseksualiteit als een probleem beschouwden en er hevig over in tweestrijd waren. Mijn homoseksuele patiënten hadden in de regel andere klinische problemen, zoals depressie, zelfmoordneigingen, neurotische symptomen of psychosomatische aandoeningen. Voor het trekken van conclusies op basis van mijn observaties zijn deze overwegingen van groot belang.
Daarnaast heb ik ook de gelegenheid gehad psychedelische en holotrope sessies te begeleiden van een aantal homoseksuele en lesbische personen die deelnamen aan ons psychedelische programma voor hulpverleners en onze workshops holotroop ademwerk. Hun voornaamste motivatie was niet therapie maar professionele training of persoonlijke groei. Voor velen van hen was homoseksualiteit duidelijk een voorkeur en ze genoten en een manier van leven waar ze van genoten. Hun belangrijkste probleem was een onenigheid met de intolerante samenleving, niet een intrapsychisch conflict.
De meeste mannelijke homoseksuele patiënten waar ik mee gewerkt heb kon-den goede sociale relaties onderhouden met vrouwen, maar waren niet in staat een seksuele relatie met hen aan te gaan. Ze namen vaak hun toevlucht tot homoseksualiteit na herhaaldelijke frustrerende ervaringen met vrouwen. Tijdens hun behandeling kon dit probleem herleid worden tot de freudiaanse castratie angsten en vagina dentata. Zoals we al besproken hebben, moesten deze concepten radicaal worden herzien en vanuit een perinataal en vaak ook transpersoonlijk perspectief worden gezien.
Sommige van deze patiënten herleidden hun aanleg voor de passieve homoseksuele rol ook tot diepe onbewuste vereenzelviging met de bevallende moeder. Dit ging gepaard met een specifieke combinatie gewaarwordingen die karakteristiek zijn voor BPM III – het gevoel een levend object in het lichaam te hebben, een mengeling van genot en pijn, en een combinatie van seksuele opwinding en anale druk. Ze beseften zich dat dit een ervaring was die ze nastreefden in de homoseksuele daad. Het feit dat anale gemeenschap een sterk sadomasochistisch component heeft, sugge-reert een relatie tussen deze vorm van mannelijke homoseksualiteit en de dynamiek van BPM III.
Op een oppervlakkiger niveau was er vaak sprake van biografische factoren die bij hadden gedragen aan de seksuele keuze van de patiënt. Met name de afwezigheid of emotionele afstandelijkheid van het vaderfiguur en diepe hunkering naar genegenheid van een mannelijk persoon kwamen veelvuldig voor. In een volwassen man kan een sterke behoefte aan een intieme, warme en liefdevolle relatie met een mannelijk persoon alleen vervuld worden in een homoseksuele relatie. Een andere veelvuldig voorkomende factor was een sterke fixatie op de moeder, verbonden aan een overschrijding van grenzen en incest.
Zoals ik eerder al vermelde, vertoonden sommige homoseksuele mannen die aan ons LSD trainingsprogramma voor hulpverleners en onze workshops holotroop ademwerk deelnamen nauwelijks innerlijke tweestrijd aangaande hun seksuele oriëntatie. In hun sessies herleidden zij hun seksuele voorkeur tot transpersoonlijke bronnen. Voor sommige van hen was het de invloed van een specifieke archetype, zoals een cultuurgebonden variant van de puer aeternus. Anderen voerden hun voorkeur terug tot ervaringen uit een vorig leven waarin men een persoon van de tegenovergestelde sekse was of in een cultuur leefde die homoseksualiteit accepteerde of zelfs verheerlijkte, zoals het oude Griekenland. Enkele van hen zagen en accepteerden hun voorkeur simpelweg als een experiment van Kosmische Bewustzijn, een variatie in het kosmische ontwerp dat uiting geeft aan de nieuwsgierigheid van het scheppingsbeginsel.
Mijn opmerkingen over de lesbische oriëntatie moeten gezien worden in een soortgelijk daglicht als wat ik gezegd heb over mannelijke homoseksualiteit, aangezien mijn ervaring met deze groep mensen net zo begrensd en bevooroordeeld is geweest. Een belangrijke factor die een rol speelde in de levens van mijn lesbische patiënten was zonder twijfel een niet vervulde behoefte aan intiem contact met een vrouwelijk lichaam, ten gevolge van emotioneel gemis in de zuigelingenperiode. Als de anaclytische behoeftes niet bevredigd worden in de kindertijd, hebben ze de neiging het hele leven een rol te blijven spelen. Eenmaal volwassen is de enige manier om deze onvervulde behoefte te laten verdwijnen de niet-seksuele context van regressie-therapie. Het alternatief – deze hunkering in het dagelijks leven tot uitdrukking brengen – leidt vanzelf tot een in seksueel opzicht lesbische situatie.
Een ander belangrijk component van de lesbische oriëntatie is een neiging om in psychologisch opzicht terug te keren naar de herinnering van ontlading ten tijde van de geboorte, wat plaatsvond in intiem contact met de vrouwelijke genitaliën. Dit zou wezenlijk hetzelfde zijn voor de psychodynamiek van de mannelijke heteroseksuele voorkeur voor orale seks. Een aanvullend perinataal element dat aan de herinnering van de geboorte is gerelateerd, is de angst gedomineerd, overmeesterd en verkracht te worden, wat in een seksuele situatie sneller zal gebeuren met een mannelijke partner. Heel vaak dragen negatieve ervaringen met een vaderfiguur ertoe bij dat vrouwen naar andere vrouwen op zoek gaan en mannen vermijden.
In het algemeen lijkt vrouwelijke homoseksualiteit minder verbonden te zijn aan negatieve perinatale matrices en kwesties van leven en dood dan het geval is bij hun mannelijke tegenhangers. Lesbische neigingen weerspiegelen een positief perinataal component van aantrekking tot het moederlijke organisme (BPM I en IV), terwijl mannelijke homoseksualiteit verbonden is met de herinnering aan de levensbedreigende vagina dentata. Erotisch contact tussen vrouwen is natuurlijker, aangezien contact met het vrouwelijk lichaam iets is dat beide geslachten in hun vroege historie ervaren. Dat lesbische relaties in onze samenleving veel meer getolereerd worden dan mannelijke homoseksualiteit lijkt in overeenstemming te zijn met dit oogpunt. Net als homoseksuele mannen vertonen sommige lesbiennes een ondubbelzinnige voorkeur voor hetzelfde geslacht en lijken hierover geen intrapsychische conflicten te hebben. De bepalende factoren lijken hier van biologische of transpersoonlijke aard te zijn.
Erectiele dysfunctie (impotentie), het onvermogen een erectie te ontwikkelen en in stand te houden, en anorgasmie (frigiditeit), het onvermogen een orgasme te bereiken, hebben een soortgelijke psychodynamische basis. De gangbare benadering van deze problemen ziet impotentie als een uitdrukking van seksuele zwakte, gebrek aan mannelijke kracht of bekwaamheid. Orgastisch onvermogen in vrouwen wordt, zoals de oude benaming “frigiditeit” aangeeft, geïnterpreteerd als seksuele koudheid en het uitblijven van een erotische reactie. In mijn ervaring lijkt het omgekeerde het geval te zijn; in beide situaties is het probleem feitelijk een overdaad aan geseksualiseerde perinatale energie.
Personen die aan deze stoornissen lijden worden sterk beïnvloed door het seksuele aspect van BPM III. Dit maakt het hen onmogelijk om seksuele opwinding te ervaren zonder tegelijkertijd alle andere elementen van deze matrix te activeren. De aan BPM III gerelateerde intensiteit van de energie, de agressieve impulsen, vrees de controle te verliezen en doodsangst hinderen de seksuele daad. In beide gevallen zijn de seksuele problemen verbonden aan COEX stelsels die, naast dit perinatale component, ook biografische lagen en transpersoonlijke wortels hebben – individuele en karmische herinneringen aan seksueel misbruik, verkrachting, associatie van seks met pijn of gevaar, en soortgelijke thema’s.
Het empirische bewijs voor de rol van de perinatale dynamiek in “impotentie” en “frigiditeit” is afkomstig uit experiëntiële psychotherapie. Creëren we een niet-seksuele situatie waarin men zich bewust kan worden van de elementen van BPM III, en de energieën die eraan verbonden zijn kunnen bevrijden, dan kan impotentie tijdelijk omslaan in een toestand genaamd satyriasis – een buitensporige drang en verlangen naar seks. Dit komt door het verband dat gevestigd is tussen de door het geboortetrauma opgewekte seksuele energie en de penis. Het is nu deze perinatale energie en niet het gewone libido die in de seksuele daad gebruikt wordt.
Vanwege de buitensporige hoeveelheid energie die op het perinatale niveau beschikbaar is, kan deze situatie resulteren in een onbevredigbare honger en onuitputtelijk vermogen seksueel te presteren. De mannen die voorheen geen erectie konden krijgen, zijn nu in staat meerdere keren per nacht gemeenschap te hebben. De ontlading is meestal niet volkomen bevredigend en zodra ze een orgasme ervaren en ejaculeren, begint de seksuele energie meteen weer toe te nemen. Meer niet-seksueel experiëntieel werk is dan vereist om deze energie naar een niveau te brengen waarop het in een seksuele situatie comfortabel aangewend kan worden.
Op dezelfde manier kunnen vrouwen die voorheen niet in staat waren zich te laten gaan en een orgasme te bereiken opeens orgastisch worden wanneer ze zich in een niet-seksuele situatie ontdoen van de overmatige energie van BPM III. Wanneer dit gebeurt, zijn de eerste orgasmes vaak overweldigend. Ze gaan regelmatig gepaard met luide, onvrijwillige schreeuwen en worden opgevolgd door meerdere minuten van hevig beven. Deze vrouwen kunnen korte tijd de zelfbeheersing verliezen en de partner blauwe blekken of schrammen bezorgen. Het is hierbij niet ongebruikelijk dat de vrouw meerdere orgasmes achter elkaar beleeft. Deze aanvankelijke bevrijding kan ook tot een toename van seksueel verlangen leiden, zodanig dat het onverzadigbaar wordt. Zo zien we een tijdelijke transformatie van “frigiditeit” naar een aandoening die bekend staat als nymfomanie. En zoals in het geval van impotente mannen, is voortzetting van innerlijk werk in een niet-seksuele context vereist om de energie naar een niveau te brengen die op een bevredigende manier in een seksuele context aangewend kan worden.
Het inzicht in de perinatale dimensies van seksualiteit werpt nieuw licht op sadomasochisme, een aandoening die een grote uitdaging vormde voor de theoretische speculaties van Freud. Tot aan het einde van zijn leven worstelde hij met deze kwestie en vond eigenlijk nooit een bevredigende verklaring. Het actief opzoeken van pijn door sadomasochistische personen druiste in tegen een van de hoekstenen van Freud z’n vroege theorie, het “genotsprincipe”. Volgens dit concept was het streven naar genot en het vermijden van ongemak de diepste motiverende kracht in de psyche. Freud was ook verbijsterd door de vreemde mengeling van twee fundamentele instincten, namelijk seksualiteit en agressie, dat een essentieel kenmerk is van sadomasochisme.
Het was het bestaan van sadomasochisme en andere aandoeningen “buiten het genotsprincipe om” die Freud ertoe dwong zijn vroege theorieën te verwerpen en een geheel nieuw systeem van psychoanalyse te ontwikkelen waartoe ook het controversiële Thanatos of doodsinstinct behoorde (Freud 1955, 1964). Hoewel hij nooit een verband legde tussen dood en geboorte, weerspiegelden deze latere speculaties duidelijk zijn intuïtieve inzicht dat sadomasochisme grenst aan kwesties van leven en dood. Ze weerspiegelden ook Freud’s overtuiging dat een praktiseerbare psychologische theorie het probleem van de dood moest omvatten. Zijn gedachten hieromtrent gingen duidelijk verder dan die zijn volgelingen, waarvan sommigen theorieën over sadomasochisme ontwikkelden die zich richtten op relatief onbelangrijke biografische situaties. Een goed voorbeeld hiervan is Kucera’s theorie (1959) waarin sadomasochisme herleid wordt tot de ervaring van het tanden wisselen, wanneer het voor een kind pijnlijk wordt om te bijten. Dit soort verklaringen geven totaal geen rekenschap van de intensiteit van de sadomasochistische impulsen.
Sadomasochisme en het bondage-syndroom kunnen eenvoudig verklaard worden op basis van de relaties die in de context van BPM III bestaan tussen seksuele opwinding, fysieke opsluiting, pijn en verstikking. Dit geeft rekenschap van de mengeling van seksualiteit en agressie, evenals het verband tussen seksualiteit en de pijn die aangedaan of ervaren wordt, twee zaken die deze aandoeningen typeren. Personen die seks moeten combineren met zulke elementen als fysieke beperking, dominantie en onderwerping, het berokkenen en ervaren van pijn, en wurgen of verstikken, herhalen simpelweg de combinatie van gewaarwordingen en emoties die ze tijdens hun geboorte ervaarden. De primaire focus van deze activiteiten is perinataal, niet seksueel. Sadomasochistische ervaringen en visioenen komen veelvuldig voor in sessies die gedomineerd worden door BPM III.
De behoefte om een sadomasochistische situatie te scheppen en het bovengenoemde onbewuste experiëntiële complex te veruiterlijken, is niet alleen symptomatisch gedrag maar ook een beknotte poging van de psyche om de oorspronkelijke traumatische indruk naar buiten te brengen en te integreren. De reden waarom deze poging niet succesvol is en niet tot zelfgenezing leidt, is het feit dat het niet diep genoeg in het onbewuste reikt en niet beschikt over de elementen van introspectie, inzicht en begrip van het proces. Het experiëntiële complex wordt naar buiten gebracht zonder de onbewuste bronnen ervan te herkennen en bewust te ervaren.
Hetzelfde geldt voor coprofilie (poepseks), coprofagie (eten van ontlasting) en urolagnie (plasseks), seksuele afwijkingen die gekenmerkt worden door een sterke behoefte om feces en urine bij de seksuele situatie te betrekken. Personen die deze afwijkingen vertonen zijn geïnteresseerd in intiem contact met biologische materialen die normaal gesproken afstotelijk worden beschouwd, raken er seksueel opgewonden van en neigen ernaar ze bij hun seksleven te betrekken. In extreme gevallen is men voor het bereiken van seksuele bevrediging genoodzaakt deel te nemen aan zulke activiteiten als op zich laten plassen of poepen, zich laten besmeren met feces, het eten van ontlasting en het drinken van urine.
De combinatie van seksuele opwinding en scatologische elementen is een vrij algemene ervaring tijdens de laatste stadia van het dood-wedergeboorte proces. Dit weerspiegelt het feit dat in bevallingen waarbij geen katheterisatie of klysma’s gebruikt worden veel kinderen niet alleen direct in aanraking komen met bloed, slijm en baarmoedervloeistof, maar ook met feces en urine. De natuurlijke basis voor deze ogenschijnlijk extreme en bizarre afwijking is oraal contact met feces en urine op het moment dat het hoofd na uren van kwelling en levensbedreiging bevrijd wordt uit de krachtige greep van het geboortekanaal. Intiem contact met zulk materiaal gaat zo-doende symbool staan voor een volledige orgastische bevrijding, of kan zelfs een noodzakelijke vereiste worden.
Volgens de psychoanalytische literatuur voelt het kind – vanwege zijn of haar dierlijke aard – zich aanvankelijk aangetrokken tot diverse vormen van biologisch materiaal en ontwikkelt er pas later, als gevolg van onderdrukkende maatregelen van ouders en samenleving, een afkeer tegen. Observaties uit psychedelisch onderzoek suggereren dat dit niet per se het geval is. De houding tegenover biologisch materiaal wordt in grote mate mede bepaald door hoe men er aanvankelijk mee te maken kreeg tijdens de geboorte-ervaring. Afhankelijk van de specifieke omstandigheden kan deze houding extreem positief of negatief zijn.
In sommige bevallingen komt het kind in aanraking met vaginale uitschei-dingen, urine of feces als onderdeel van de algemene sfeer van fysieke en emotionele bevrijding. In andere bevallingen wordt dit materiaal ingeademd, blokkeert het de luchtwegen en veroorzaakt het beangstigende verstikking. In extreme situaties moet het leven van de pasgeborene gered worden door intubatie en zuiging die de trachea en bronchiën schoonmaken. Dit zijn twee radicaal verschillende manieren waarop men tijdens de geboorte met biologisch materiaal te maken kan krijgen, de ene positief, de andere beangstigend en traumatisch. Een situatie waarin de ademhaling te vroeg in werking wordt gezet en het geïnhaleerde biologische materiaal het leven van het kind bedreigt, kan diepe angst genereren en de basis vormen voor een toekomstige obsessief-compulsieve stoornis, zoals we eerder al besproken hebben.
Een overvloedige bron van fascinerende informatie over seksuele afwijkingen is A Sexual Profile of Men in Power, door Janus, Bess en Saltus (1977). Hun onderzoek is gebaseerd op meer dan zevenhonderd uur aan interviews met eersteklas callgirls uit de Oostkust van de Verenigde Staten. In tegenstelling tot veel andere onderzoekers waren de auteurs minder geïnteresseerd in de persoonlijkheden van de prostituees dan in de voorkeuren en gebruiken van hun klanten. Onder hun clientèle bevonden zich vele prominente vertegenwoordigers van de Amerikaanse politiek, het zakenleven, wetgeving en recht.
De interviews toonden aan dat slechts een absolute minderheid van de klanten simpelweg op seksuele gemeenschap uit was. De meeste van hen waren geïnteresseerd in diverse omslachtige erotische praktijken die als “zwaar kinky seks” zouden kwali-ficeren. Veelvuldig vroeg men om bondage, zweepslagen en andere vormen van pijniging. Sommige van deze klanten waren bereid hoge bedragen te betalen voor de psychodramatische opvoering van ingewikkelde sadomasochistische scènes. Een van de klanten vroeg bijvoorbeeld om een realistische opvoering van een situatie waarin hij de rol speelde van een in nazi-Duitsland neergeschoten en gevangengenomen Amerikaanse piloot tijdens de Tweede Wereldoorlog. De prostituees werd verzocht zich te kleden als wrede Gestapo-vrouwen met hoge laarzen aan en een militaire helm op. Hun opdracht was de klant aan diverse ingenieuze martelingen te onderwerpen.
Onder de frequent aangevraagde en duur betaalde praktijken bevonden zich de “gouden regen” en de “bruine regen”, oftewel in een seksuele context over zich heen laten plassen of poepen. Nadat de sadomasochistische en scatologische ervaring voltooid was en hun klanten een seksueel orgasme hadden bereikt, beleefden veel van deze uiterst ambitieuze en invloedrijke mannen regressie naar een infantiele gemoedstoestand, wilden ze vastgehouden worden, op de tepels van de prostituees zuigen en als kleine baby’s behandeld worden. Dit gedrag stond haaks op het publieke imago dat deze mannen in hun leven van alledag probeerden hoog te houden.
Alle in het boek aangedragen interpretaties van deze ontdekkingen zijn van een biografische en freudiaanse aard. De auteurs relateren martelingen aan ouderlijke straf, de gouden en bruine regen aan problemen op het gebied van de zindelijkheidstraining, en de behoefte om aan tepels te zuigen aan gefrustreerde behoeften in de zuigelingen-periode en fixatie op de moeder. Bij nader inzien blijkt echter dat de klanten klassieke perinatale thema’s opvoerden in plaats van postnatale gebeurtenissen uit de kindertijd. De combinatie van fysieke beperking, pijn en marteling, seksuele opwinding, scatologische elementen en daaropvolgend regressief oraal gedrag zijn onmiskenbare indicaties dat BPM III en IV in werking zijn gezet.
Ik zal hier nog een kort voorbeeld geven van het verband tussen seksuele praktijken en het perinatale proces. Een Australische kennis van mij, die in zijn therapeutische praktijk een prostituee uit een grote stad behandelde en goed op de hoogte was van de stand van zaken in de seksuele onderwereld van deze stad, omschreef wat de populairste en meest frequent aangevraagde attractie was die door locale callgirls aangeboden werd. De klant kon zich zelf opsluiten in een speciale kamer met drie tienermeisjes, allen gekleed als nonnen. Terwijl hij ze achterna zat en ze seksueel aanviel, deden ze alsof ze in paniek waren en ze zich tegen hem verzetten, of deden alsof ze probeerden te ontsnappen. Dit alles vond plaats terwijl uit meerdere luidsprekers religieuze muziek te horen was, zoals Gounoud’s Sint-Cecilia mis en Mozart’s Requiem. Deze combinatie van seks, agressie en spirituele elementen is zeer kenmerkend voor de overgang van BPM III naar IV.
De conclusies van Janus, Bess en Saltus verdienen een aparte vermelding. De auteurs verzochten het Amerikaanse publiek niet van hun politici en andere prominente figuren te verwachten dat het rolmodellen van seksueel gedrag zijn. Op basis van hun onderzoek zou deze verwachting namelijk uiterst onrealistisch zijn. Hun onder-vindingen wijzen er op dat een buitensporige seksuele drang en neiging tot afwijkend seksueel gedrag onlosmakelijk verbonden zijn met de hoge mate van ambitie die in de huidige samenleving vereist is om een succesvolle volksvertegenwoordiger te worden. We moeten ons daarom niet verbazen over de schandalen in de hoogste sociale en politieke rangen – de Profumo-affaire die het Britse parlement op z’n kop zette, de avontuurtjes van Ted Kennedy waardoor hij geen kans meer maakte op het president-schap, John Kennedy’s slippertjes die de nationale veiligheid in gevaar brachten, en Bill Clinton’s seksuele uitspattingen die vele maanden lang de Amerikaanse regering lam legden.
Deze inzichten aangaande de perinatale wortels van menselijk gedrag bieden een onverwachte oplossing voor het oude meningsverschil tussen Freud en Adler over wat het dominante element in de menselijke psyche is: seksuele drang of zucht naar macht. Volgens Freud is de sterkste drijfveer van onze gedachten, emoties en gedrag het streven naar seksuele bevrediging. En we willen macht omdat dat ons aantrekkelijker maakt en onze kans op seksuele bevrediging vergroot. Voor Adler was het motiverende element in de psyche het gevoel van minderwaardigheid en een vastberaden drang tot overcompensatie – streven naar macht of het “mannelijk protest” zoals hij het noemde. Wat we meer dan alles verlangen is macht, en we gebruiken seks om macht te verkrijgen en onze positie in de wereld te verbeteren.
Janus, Bess en Saltus opperen dat seksuele drang en intense ambitie niet met elkaar in conflict zijn, maar samengaan als twee kanten van dezelfde munt. Deze suggestie is volledig in overeenstemming met het perinatale model; in de context van BPM III zijn deze twee krachten onlosmakelijk met elkaar verbonden. Zoals we gezien hebben, genereren de ademnood en pijn die in het geboortekanaal ervaren worden een buitengewoon intense seksuele drang die zich wil ontladen. Daarnaast geven de confrontatie met de elementaire krachten van de persweeën en de weerstand van het geboortekanaal de foetus een gevoel van hulpeloosheid en ontoereikendheid. Tegelijkertijd mobiliseert het extreme ongemak en de levensbedreiging het overlevings-instinct, wat resulteert in wanhopige pogingen de uitdaging het hoofd te bieden en te overleven. Gebeurtenissen in het postnatale leven vormen dan COEX stelsels die een of meerdere elementen van dit complementaire tweetal kunnen bestendigen.
Sommige extreme vormen van criminele seksuele pathologie, zoals verkrachtingen, sadistische moord en necrofilie, wijzen duidelijk op perinatale wortels. Personen die de seksuele aspecten van BPM II ervaren, zeggen vaak dat dit stadium van het geboorteproces veel gemeen heeft met verkrachting. Deze vergelijking is zeer zinnig als men stil staat bij een aantal essentiële experiëntiële onderdelen van verkrachting. Voor het slachtoffer zijn er de elementen van ernstig gevaar, doodsangst, extreme pijn, fysieke beperking, een poging zichzelf te bevrijden, stikken en opgedrongen seksuele opwinding. De ervaring van de verkrachter bestaat daarentegen uit de actieve keerzijden van deze elementen – in gevaar brengen, bedreigen, pijn doen, beperken, wurgen en seksuele opwinding opdringen. De ervaring van het slachtoffer heeft veel elementen gemeen met die van het kind dat gekweld wordt door de greep van het geboortekanaal, terwijl de verkrachter de naar binnen gerichte krachten van de persweeën naar buiten richt, daarbij tegelijkertijd wraak nemend op een surrogaat van de moeder.
Als de herinnering aan BPM III de kans krijgt het bewustzijn te beïnvloeden, oefent het een sterke psychologische druk op de persoon uit om de elementen ervan in het normale leven te verwezenlijken – zich in te laten met vrijwillige gewelddadige seks of zelfs onbewust gevaarlijke seksuele situaties uit te lokken. Hoewel dit mechanisme zeker niet van toepassing is op alle slachtoffers van seksuele misdaden, kan het in sommige gevallen een belangrijke rol spelen. Hoewel duidelijk zelfbeschadigend, bevat zulk gedrag een onbewuste impuls tot genezing. Soortgelijke ervaringen, maar dan door de psyche gegenereerd in de context van experiëntiële therapie en met begrip van hun onbewuste oorzaken, zouden leiden tot genezing en psychospirituele transformatie.
Vanwege deze gelijkenis tussen de ervaring van verkrachting en de geboorte-ervaring, lijdt het slachtoffer van verkrachting aan een psychologisch trauma dat niet alleen bestaat uit de pijnlijke impact van de recente situatie maar ook het wegvallen van de verdedigingsmechanismen die haar of hem beschermden tegen het herinneren van de eigen geboorte. De frequente en langdurig optredende emotionele problemen die op verkrachtingen volgen worden zeer waarschijnlijk veroorzaakt door de in het bewustzijn bovenkomende perinatale emoties en psychosomatische manifestaties. Voor een thera-peutische oplossing zal er daarom aan het geboortetrauma gewerkt moeten worden.
De invloed van de derde perinatale matrix is nog duidelijker bij sadistische moorden, die nauw gerelateerd zijn aan verkrachtingen. Naast een gecombineerde ontlading van de seksuele en agressieve impulsen, bestaan deze handelingen uit de elementen dood, verminking, amputatie, en zich scatologisch te goed doen aan bloed en ingewanden. Dit is duidelijk een combinatie die karakteristiek is voor het herbeleven van de laatste stadia van de geboorte.
De dynamiek van sadistische moord is nauw verwant aan die van bloederige zelfmoord. Het enige verschil is dat het individu bij de eerste de uiterlijke rol aanneemt van de aanvaller, terwijl in het andere geval ook de rol van het slachtoffer wordt aangenomen. Bij nader inzien blijken beide rollen verschillende aspecten van dezelfde persoonlijkheid te vertegenwoordigen; die van de aanvaller weerspiegelt de introjectie van de onderdrukkende en vernietigende krachten van het geboortekanaal, die van het slachtoffer de herinnering aan de emoties en gewaarwordingen van het kind gedurende de bevalling.
Een soortgelijke combinatie elementen, maar in wat andere proporties, ligt ten grondslag aan het klinische beeld van necrofilie. Necrofilie vindt plaats in veel verschillende vormen en gradaties, van vrij onschuldig tot ronduit crimineel. De meest oppervlakkige varianten ervan hebben betrekking op seksuele opwinding opgewekt door het aanschouwen van lijken of een aantrekkingskracht tot begraafplaatsen, graftomben of hieraan verbonden objecten. Ernstigere vormen van necrofilie worden gekenmerkt door een sterke drang lijken aan te raken, te ruiken of te proeven, en genieten van rotting en bederf. De volgende stap is het daadwerkelijk aanraken van lijken met een seksueel motief, culminerend in feitelijke gemeenschap met dode lichamen in lijkenhuizen, crematoria en begraafplaatsen.

Photobucket

Extreme gevallen van deze seksuele perversie combineren seksueel misbruik van lijken met verminking, amputatie en kannibalisme. Kijken we naar de verschillende elementen van necrofilie, dan zien we wederom die vreemde samensmelting van seksualiteit, dood, agressie en scatologie die zo kenmerkend is voor de derde perinatale matrix. De diepste wortels van deze ernstige afwijking hebben te maken met fylogenetische regressie naar het dierenrijk en vereenzelviging met het bewustzijn van karnivore aaseters.

Psychosomatische uitingsvormen van emotionele stoornissen

Veel emotionele stoornissen, zoals psychoneuroses, depressies en functionele psychoses, hebben onmiskenbare fysieke uitingsvormen. Het meest algemeen zijn hoofdpijn, hartkloppingen, overmatig zweten, zenuwtics, bevingen, psychosomatische pijnen en allerlei huidaandoeningen. Even frequent zijn gastro-intestinale problemen zoals misselijkheid, verlies van eetlust, constipatie en diarree. Onder de typische bijkomstigheden van emotionele problemen bevinden zich ook allerlei seksuele stoornissen, zoals amenorrhea (uitblijven van de menstruatie), onregelmatigheden in de cyclus, menstruele krampen of pijnlijke vaginale spasmes tijdens de geslachts-gemeenschap. We hebben eerder al gesproken over het onvermogen een erectie te krijgen of een orgasme te bereiken. Deze situaties kunnen een bijkomstigheid zijn van andere neurotische problemen of optreden als onafhankelijke primaire symptomen.
In sommige psychoneuroses, zoals conversie-hysterie, zijn de fysieke symptomen karakteristiek en goed waarneembaar, en kunnen het overheersende aspect van de stoornis vormen. Dit geldt ook voor een categorie stoornissen die de klassiek geschoolde psychoanalytici pregenitale neuroses noemen; hiertoe behoren verschillende tics, stotteren en psychogene astma. Deze aandoeningen zijn hybriden van obsessief-compulsieve neurose en conversie-hysterie. De persoonlijkheidsstructuur die eraan ten grondslag ligt is obsessief-compulsief van aard, maar het belangrijkste mechanisme van afscherming en symptoomvorming is conversie, zoals in hysterie. Er bestaat ook een groep medische stoornissen, waarin de rol van psychologische factoren zo belangrijk is dat zelfs de traditionele geneeskunst ernaar verwijst als psychosomatische ziektes.
Tot deze categorie behoren migraine aanvallen, diverse vormen van eczeem en volgens sommigen zelfs bepaalde vormen van artritis. De meeste artsen en psychiaters accepteren dat deze stoornissen een psychogene aard hebben maar hebben geen over-tuigende verklaring voor de psychogene mechanismen die erbij betrokken zijn. Veel klinisch werk, theoretische speculatie en onderzoek dat tot nu toe heeft plaatsgevonden, was gebaseerd op de ideeën van psychoanalyticus Franz Alexander, die doorgaans als de grondlegger van de psychosomatische geneeskunst wordt gezien. In 1935 presenteerde Alexander een theoretisch model waarin de mechanismen van de psychosomatische stoornissen werden verklaard. Zijn belangrijkste bijdrage was de erkenning dat psychosomatische symptomen het resultaat zijn van de fysiologische bijkomstigheden van psychologisch conflict en traumatisering. Volgens hem geeft emotionele opwinding tijdens acute angst, verdriet of woede aanleiding tot hevige fysiologische reacties, die leiden tot de ontwikkeling van psychosomatische symptomen en ziektes (Alexander 1950).
Alexander maakte onderscheid tussen conversie-reacties en psychosomatische stoornissen. In conversie-reacties hebben de symptomen een symbolische betekenis en dienen als verdedigingsmechanisme tegen angst; dit is een belangrijk kenmerk van psychoneuroses. In psychosomatische stoornissen kan de oorsprong van de onderliggende emotionele toestand teruggevoerd worden tot psychologische trauma’s, neurotisch conflict en pathologische interpersoonlijke relaties, maar de symptomen vervullen geen praktisch doeleinde. Ze wijzen feitelijk op het falen van de psychologische mechanismen die het individu beschermen tegen buitensporige emotionele opwinding. Alexander benadrukte dat deze somatisering van emoties alleen plaatsvindt in personen die hier al vatbaar voor zijn en niet in gezonde mensen; maar hij noch zijn opvolgers zijn er in geslaagd de aard van deze vatbaarheid te definiëren.
Meer dan zestig jaar later is de stand van zaken binnen de psychosomatische geneeskunst teleurstellend. Het wordt gekenmerkt door een fundamenteel gebrek aan overeenstemming over de mechanismen die betrokken zijn bij de psychogenese van somatische symptomen en geen conceptueel raamwerk voldoet aan alle wensen (Kaplan en Kaplan 1967). Het uitblijven van duidelijke antwoorden heeft ertoe geleid dat veel auteurs het idee van multicausaliteit zijn gaan onderschrijven. Volgens deze denkwijze spelen psychologische factoren een belangrijke rol in de psychosomatische stoornissen, maar men moet ook een scala aan andere factoren in overweging nemen, zoals constitutie, erfelijkheid, orgaanpathologie, inname van voedingsstoffen, omgeving, en de sociale en culturele determinanten. Deze kunnen uiteraard niet adequaat gespecificeerd worden, wat de kwestie van de etiologie van psychosomatische stoornissen zeer vaag en onduidelijk maakt.
Zoals we eerder zagen, hebben psychedelische therapie en holotroop ademwerk op overtuigende wijze aangetoond dat postnatale psychologische trauma’s geen verklaring vormen voor psychosomatische symptomen en stoornissen. Psycho-logische tweestrijd, verlies van een belangrijke relatie, buitensporige afhankelijkheid, getuige zijn van ouderlijke seks, en soortgelijke factoren die door psychoanalytici als causaal gezien worden, kunnen de aard en intensiteit van de door psychosomatische stoornissen veroorzaakte fysiologische verstoringen simpelweg niet verklaren.
In het licht van diep experiëntieel werk zijn psychoanalytisch georiënteerde theorieën, die psychosomatische ziektes proberen te verklaren op basis van psychologische trauma’s in de postnatale biografie, oppervlakkig en onaannemelijk. Al even onwaarschijnlijk is de aanname dat deze stoornissen effectief behandeld kunnen worden met verbale therapie. Holotroop onderzoek heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de theorie en therapie van psychosomatische stoornissen. Waarschijnlijk de belang-rijkste ondervinding was de ontdekking van enorme hoeveelheden geblokkeerde emotionele en fysieke energie die ten grondslag ligt aan psychosomatische symptomen.
Terwijl men met recht zou kunnen betwijfelen dat zuiver psychologische trauma’s diepe functionele verstoringen kunnen veroorzaken, of zelf grove anatomische schade aan de organen, is dit een zeer redelijke mogelijkheid wanneer het gaat om de vernietigende krachten van de geboorte, zoals die herbeleefd worden in holotrope bewustzijnstoestanden. In de meest algemene zin bevestigden deze observaties de concepten van de geniale en controversiële afvallige pionier van de psychoanalyse, Wilhelm Reich. Op basis van zijn observaties uit therapeutische sessies, concludeerde Reich dat de belangrijkste factor die aan emotionele en psychosomatische stoornissen ten grondslag ligt de beknelling en blokkering van grote hoeveelheden bio-energie in de spieren en ingewanden is, resulterend in wat hij omschreef als het karakter-harnas (Reich 1949, 1961).
Maar daarmee eindigt ook meteen de parallel tussen Reichiaanse psychologie en de observaties uit holotroop onderzoek. Volgens Reich is deze beknelde energie seksueel van aard en is de reden voor de blokkering een fundamentele tweestrijd tussen aan de ene kant onze biologische behoeften en aan de andere kant de onderdrukkende invloed van de samenleving die volledige orgastische ontlading en bevredigende seks in de weg staat. Overgebleven seksuele energie waaraan geen uitdrukking wordt gegeven raakt dan bekneld en wordt op een afwijkende manier uitgedrukt in de vorm van perversies en neurotische of psychosomatische symptomen. Het werk met holotrope bewustzijnstoestanden geeft een verklaring uit een heel andere invalshoek. Het laat zien dat de opgekropte energie die we in ons organisme meedragen geen opgehoopt, niet-uitgedrukt libido is, maar in COEX stelsels verstrengelde emotionele en fysieke lading.
Een deel van deze energie hoort bij de biografische lagen van deze stelsels, die de herinneringen bevatten van psychologische en fysieke trauma’s uit de zuigelingenperiode en kindertijd. Een groot deel van deze energetische lading is perinataal van oorsprong en weerspiegelt het feit dat de geboorteherinnering niet afdoende ver-werkt is en in het onbewuste aanwezig blijft als een zeer belangrijke, maar in emotioneel en fysiek opzicht incomplete gestalt. Tijdens de bevalling wordt een enorme hoeveelheid energie opgewekt door de buitensporige stimulatie van neuronen, maar door de opsluiting van het geboortekanaal kunnen deze niet ontladen worden. De reden waarom Reich deze energie onterecht aanzag voor een bekneld libido was waarschijnlijk het feit dat BPM III met sterke seksuele opwinding gepaard gaat.
In sommige gevallen kunnen prenatale trauma’s aan de algemene negatieve lading van de COEX stelsels bijdragen en een rol spelen in de genese van psychosomatische symptomen. Sommige mensen hebben een erg zware prenatale historie waartoe zulke factoren behoren als extreme emotionele en fysieke stress van de zwangere moeder, een dreigende miskraam, poging tot abortus, een toxische baar-moeder of een onverenigbare bloedgroep. De diepste bron van de energie die aan de psychosomatische stoornissen ten grondslag ligt kan in de regel teruggevoerd worden tot het transpersoonlijke domein, met name aan karmische en archetypische elementen (zie het verhaal van Norbert aan het begin van dit hoofdstuk).
Van uitzonderlijk belang is de observatie uit diep experiëntieel werk dat niet psychologische trauma’s de belangrijkste drijfveren achter alle psychosomatische uitingen zijn, maar niet-verwerkte en niet-geïntegreerde fysieke trauma’s, zoals herinneringen aan het ongemak van kinderziektes, operaties, verwondingen of verdrinkingsnood. Op een dieper niveau zijn de symptomen gerelateerd aan herinneringen uit een vorig leven. Zo kan het materiaal dat aan psychosomatische pijn ten grondslag ligt bestaan uit herinneringen aan ongelukken, operaties of ziektes uit de zuigelingen-periode, kindertijd en het latere leven, de pijn die tijdens het geboorteproces ervaren wordt, en fysiek leed ten gevolge van verwondingen of sterven in een voorgaande incarnatie.
Dit druist in tegen de gezichtspunten van de meeste psychodynamische leerscholen, die de belangrijkste rol in de genese van psychosomatische symptomen toeschrijven aan psychologische conflicten en trauma’s. Volgens hen ontwikkelen symptomen zich op zo’n manier dat deze psychologische kwesties worden uitgedrukt in lichaamstaal, of “gesomatiseerd” worden. Zo worden emotioneel vastklampen en loslaten gezien als psychologische factoren die ten grondslag liggen aan verstopping en diarree. Ernstige nekpijn is een symbolische uitdrukking van het feit dat de cliënt “teveel verantwoordelijkheid op zijn of haar schouders draagt.”
Op soortgelijke wijze ontwikkelen maagklachten zich in mensen die iets niet kunnen “slikken”. Hysterische verlamming is een verdedigingsmechanisme tegen een bezwaarlijke infantiele seksuele daad. Ademhalingsproblemen worden veroorzaakt door een moeder wiens overmatige bemoeienis de cliënt smoort, astma is “huilen om de moeder” en drukkende gevoelens op de borstkas zijn het gevolg van “zwaar verdriet”. Op dezelfde manier wordt stotteren gezien als onderdrukking van verbale agressie en een drang om obsceniteiten uit te spreken, en dienen ernstige huidaandoeningen als bescherming tegen seksuele verleiding.
Een psychologisch systeem dat in tegenstelling tot de meeste andere het grote belang van de psychotraumatische impact van fysieke trauma’s erkent, is Ron Hubbard’s scientology (Hubbard 1950). Scientologen ontdekten het grote psychologische belang van fysieke verwonding door middel van auditeren, een proces van verkenning en therapie dat objectief geleid wordt door galvanometers die de weerstand van de huid meten en een indicatie geven van de emotionele lading van het materiaal dat in de sessies besproken wordt. Deze feedback dient vervolgens als leidraad voor de auditor bij het sturen van het intakegesprek en is een onmisbaar gereedschap voor het ontdekken van materiaal dat werkelijk emotioneel relevant is. In holotrope bewustzijnstoestanden wordt deze begeleiding vanzelf verzorgd door de “innerlijke radar” die we eerder al bespraken.
Het theoretische systeem van scientology erkent niet alleen fysieke trauma’s in het postnatale leven, maar ook het geboortetrauma en somatische trauma’s uit voor-gaande levens. Hubbard noemde de imprentingen van fysieke traumatisering engrams en zag ze als een primaire bron van emotionele problemen. In zijn terminologie worden de gebruikelijke psychologische trauma’s secondaries genoemd; zij ontlenen hun emotionele kracht aan hun relaties met de engrams. Tot op zekere hoogte vertonen de meer praktische en nuchtere aspecten van Hubbard’s conceptuele raamwerk een bepaalde gelijkenis met het materiaal dat in dit boek besproken wordt (Gormsen en Lumbye 1979). Helaas heeft het roekeloze misbruik van scientology voor het gewin van macht en geld, in combinatie met Hubbard’s wilde speculaties over buitenaardse invloeden, zijn interessante theoretische bijdragen in diskrediet gebracht.
Het werk dat is gedaan met holotrope bewustzijnstoestanden is een overvloedige bron van inzichten inzake de dynamiek van de psychosomatische stoornissen. Het is eigenlijk niet ongebruikelijk om een tijdelijk optreden van astma, migraine-aanvallen, diverse vormen van eczeem en zelfs psoriasis te zien, in statu nascendi, met andere woorden terwijl ze in de loop van psychedelische en holotrope therapie verschijnen. Dit gaat meestal gepaard met inzichten aangaande hun psychodynamische wortels. De positieve kant hiervan is dat er dramatische en blijvende verbeteringen van diverse psychosomatische stoornissen worden gerapporteerd door therapeuten die diepe experiëntiële technieken toepassen. Deze berichten beschrijven in de regel dat het herbeleven van fysieke trauma’s, met name het geboortetrauma en allerlei transpersoonlijke ervaringen, het meest effectieve therapeutische mechanisme is.
Ruimtegebrek staat me niet toe verder uit te wijden over de nieuwe inzichten aangaande de psychodynamiek van de specifieke psychosomatische stoornissen, en ter illustratie casussen te presenteren. Ik verwijs geïnteresseerde lezers hiervoor naar mijn eerdere publicaties (Grof 1980, 1985).

Autistische en symbiotische infantiele psychoses,
narcistische persoonlijkheid en manisch-depressiviteit

Pioniers op het gebied van ego-psychologie, zoals Margaret Mahler, Otto Kernberg en Heinz Kohut, hebben de klassieke psychoanalytische classificatie voorzien van diverse nieuwe diagnostische categorieën die volgens hen hun oorsprong vinden in de vroege verstoringen van object-relaties. Een gezonde psychologische ontwikkeling zet zich voort van het autistische en symbiotische stadium van primair narcisme via een proces van scheiding en individuatie naar het bereiken van constante object relaties. Ernstige verstoring van dit proces en een gebrek aan bevrediging van fundamentele behoeften in deze vroege stadia kan resulteren in ernstige stoornissen. Afhankelijk van de hevigheid van deze tegenslagen en wanneer ze precies plaatsvinden, kunnen deze verstoringen leiden tot autistische en symbiotische infantiele psychoses, narcistische persoonlijkheidsstoornis of manisch-depressieve stoornissen.
De analyse van deze verstoringen van object relaties die we tegenkomen in de literatuur over ego-psychologie is buitengewoon gedetailleerd en verfijnd. Maar net als klassiek geschoolde psychoanalytici hebben ego-psychologen niet door dat postnatale biografische gebeurtenissen op zichzelf geen verklaring vormen voor de symptoma-tologie van emotionele stoornissen. Observaties uit holotrope bewustzijnstoestanden suggereren dat vroege trauma’s in de zuigelingenperiode een diepe impact kunnen hebben op het psychologische leven van het individu, niet alleen omdat ze een heel onvolwassen organisme overkomen en het fundament van de persoonlijkheid vormen, maar ook omdat ze genezing van het geboortetrauma in de weg staan. Ze laten de deuren naar het perinatale onbewuste wijd open staan.
De woorden die in de ego-psychologie gebruikt worden om de postnatale dynamiek van deze stoornissen te omschrijven, verraden hun onderliggende prenatale en perinatale dimensies. De symbiotische bevrediging, waaraan ego-psychologen veel belang hechten, heeft niet alleen betrekking op de kwaliteit van de borstvoeding en anaclitische bevrediging in de zuigelingenperiode, maar ook op de kwaliteit van de prenatale zijnstoestand. Hetzelfde geldt voor de schadelijke effecten van symbiotisch gemis. Ik zal hier ter illustratie Margaret Mahler’s beschrijving geven van de symbiotische fase: “Tijdens de symbiotische fase gedraagt de zuigeling zich alsof hij en zijn moeder een omnipotent systeem zijn (een tweeledige eenheid) binnen een gedeelde grens – als het ware een symbiotisch membraan” (Mahler 1961). Op dezelfde manier hebben de regressie naar autisme en een objectloze bewustzijnstoestand herkenbare karakteristieken van een psychologisch terugkeren naar de baarmoeder, niet alleen naar de vroege postnatale bewustzijnstoestand.
Andere belangrijke aspecten van psychische aandoeningen die worden veroor-zaakt door verstoringen in de ontwikkeling van object-relaties wijzen duidelijk in de richting van de perinatale dynamiek. Zodoende weerspiegelt het splitsen van de object-wereld in goed en slecht, kenmerkend voor manisch-depressieve patiënten, niet alleen de onberekenbaarheid van de moeder (“goede” en “slechte moeder”) zoals benadrukt door ego-psychologen. Op een dieper niveau is de bron ervan de fundamentele dubbelzinnigheid van de rol die de moeder in het leven van haar kind speelt, zelfs onder de meest ideale omstandigheden. Prenataal en postnataal vertegenwoordigt zij het levenschenkende en levensonderhoudende principe, terwijl ze tijdens de bevalling in een levensbedreigend element verandert.
De ervaringen van kinderen die lijden aan infantiele symbiotische psychose, die gevangen zitten tussen de angst voor scheiding en de angst voor verzwelging, hebben ook duidelijk hun oorsprong in het geboortetrauma, in plaats van dat ze enkel de overgang vormen van primair narcisme naar object-relaties. Op dezelfde manier verraadt de intensiteit van de woede die deze categorie patiënten kenmerkt de perinatale wortels ervan.

Psychodynamiek van psychotische episodes in volwassenen

Ondanks een enorme investering van tijd, energie en geld in psychiatrisch onderzoek, is de aard van het psychotische proces een mysterie gebleven. Uitvoerige, systematische onderzoeken hebben belangrijke variabelen onthuld op het gebied van constitutionele en genetische factoren, hormonale en biochemische veranderingen, biologische correlaten, psychologische en sociale determinanten, bespoedigende factoren uit de omgeving, en vele andere. Geen van deze is voldoende consistent gebleken om de etiologie van functionele psychoses op overtuigende wijze te verklaren.
Maar ook al was biologisch en biochemisch onderzoek in staat processen te ontdekken die een consistente correlatie vertonen met het optreden van psychotische episodes dan zou dat op zichzelf geen inzicht verschaffen in de aard en inhoud van psychotische ervaringen. Ik heb dit punt al aangeroerd in een eerder hoofdstuk, toen ik klinisch onderzoek met psychedelische substanties besprak. In de bewustzijnstoestanden die door chemisch zuivere psychedelica opgewekt worden, is de biochemische oorzaak en dosering exact bekend. En toch zegt dit alles niets over de aard en inhoud van de ervaringen en hun inter- en intra-individuele variëteit. Het verklaart enkel het in het bewustzijn bovendrijven van materiaal uit de diepte van het onbewuste.
Dezelfde dosering kan bij verschillende mensen onder vergelijkbare omstandigheden een breed spectrum aan ervaringen opwekken, zoals zelfverkenning door analyse van herinneringen, manische en paranoïde toestanden, evenals diepzinnige mystieke openbaringen. Dit duidt erop dat het onwaarschijnlijk is dat er een simpele biologische verklaring voor de complexe problematiek van psychoses (en mystieke bewustzijnstoestanden) gevonden zal worden. Met het oog op al deze feiten is het moeilijk dit soort speculaties als serieuze wetenschappelijke stellingen te accepteren. Het potentieel om deze ervaringen te creëren is duidelijk een inherente eigenschap van de menselijke psyche. De fenomenologie van functionele psychoses combineert op allerlei manieren perinatale en transpersoonlijke verschijnselen, met zo nu en dan postnatale biografische elementen.
De ervaringen die BPM I karakteriseren zien we in de symptomatologie van psychotische episodes, zowel in hun positieve als hun negatieve vorm. Veel patiënten ervaren symbiotische eenheid met de Grote Moedergodin en een gevoel van gevoed worden in haar baarmoeder en aan haar borst. Dit wordt ook veelvuldig ervaren als een extatische eenwording met Moeder Natuur, met het gehele universum en met God. Wanneer zulke ervaringen ondersteund worden, kunnen ze een krachtige corrigerende ervaring zijn voor het gebrek aan symbiotische bevrediging in het vroege leven van de patiënt.
Omgekeerd lijkt er een diep verband te bestaan tussen verstoringen van het embryonale leven en psychotische episodes met paranoïde vervormingen van de werkelijkheid. Aangezien vele prenatale verstoringen veroorzaakt worden door chemische veranderingen in het lichaam van de moeder, naar het kind doorgesluisd via de navelstreng, richten zulke paranoïde episodes zich vaak op toxische factoren of andere onzichtbare schadelijke invloeden. Veel psychotische patiënten geloven dat hun voedsel vergiftigd wordt, dat bepaalde giftige gassen hun huis in worden gepompt, of dat een duivelse vijand hen blootstelt aan gevaarlijke straling. Deze vijandige invloeden gaan vaak gepaard met visioenen van allerlei boosaardige wezens en demonische archetypen.
Een andere bron van paranoïde bewustzijnstoestanden is het eerste stadium van de tweede perinatale matrix. Dit is niet verrassend, aangezien de aanvang van de bevalling een belangrijke en niet terug te draaien verstoring van het prenatale bestaan is. In ogenschouw nemend hoe onplezierig en verwarrend deze twee situaties voor de foetus moeten zijn, ligt het voor de hand dat wanneer men te maken krijgt met herinne-ringen van het begin van de geboorte, of van een ernstige intra-uterine verstoring, dit gevoelens van allesdoordringende angst kan veroorzaken. Om voor de hand liggende redenen kan de bron van dit gevaar niet geïdentificeerd worden en blijft onbekend. Het individu projecteert deze gevoelens vervolgens op een dreigende situatie in de externe wereld – op geheime ondergrondse organisaties, de nazi’s, communisten, Vrijmetselaars, de Ku Klux Klan, of een andere potentieel of feitelijk gevaarlijke groep mensen, mogelijk zelfs buitenaardse indringers. Specifieke inhoud van deze beangstigende erva-ringen kan ook worden ontleend aan corresponderende gebieden van het collectieve onbewuste.
BPM II in haar volledig ontwikkelde vorm geeft de psychotische symptomatologie het thema van diepe wanhoop en melancholie, een gevoel van eeuwige verdoemenis, en het motief van onmenselijke martelingen en diabolische beproevingen. Veel psychotische patiënten ervaren eindeloze kwellingen in de hel en martelingen die uitgevoerd worden door ingenieuze, voor dat doeleinde ontworpen apparaten. Psychoanalytische onderzoeken toonden aan dat het martelwerktuig, door vele psychotische patiënten omschreven als bron van ondraaglijke kwelling, het lichaam van de “slechte moeder” vertegenwoordigt. Maar waar deze onderzoeken geen acht op slaan is dat het gevaarlijke en martelende lichaam de bevallende moeder toebehoort, niet de zogende moeder (Tausk 1933). Andere psychotische thema’s verbonden aan BPM II zijn ervaringen van een betekenisloze, bizarre en absurde wereld van kartonnen figuren en machines, en de atmosfeer van een zonderlinge freakshow.
BPM III geeft het klinische beeld van psychotische bewustzijnstoestanden een rijk spectrum aan ervaringen die verschillende facetten van deze complexe matrix vertegenwoordigen. Het titanische aspect uit zich in de vorm van ondraaglijke spanningen en krachtige energiestromen, botsingen en ontladingen. De correspon-derende verbeelding en ideatie zijn gerelateerd aan gewelddadige oorlogssituaties, revoluties en bloederige afslachtingen. Deze nemen vaak archetypische vormen aan en laten scènes op een enorm strijdtoneel zien – kosmische oorlogvoering tussen de krachten van goed en kwaad, engelen in strijd met duivels, titanen die de goden uitdagen, of superhelden die mythologische monsters te lijf gaan.
De agressieve en sadomasochistische elementen van BPM III verklaren waarom psychotische patiënten visioenen hebben van allerlei wreedheden, sporadisch geweld, zelfbeschadiging, bloederige moorden en zelfmoord. In beslag worden genomen door abnormale seksuele fantasieën en visioenen, ervaringen van seksuele inbreuk en pijnlijke ingrepen op de voortplantingsorganen zijn ook karakteristieke ken-merken van de derde perinatale matrix. Interesse in feces en ander biologisch materiaal en het toeschrijven van magische kracht aan uitwerpselen of het proces van ontlasting verraden betrokkenheid van het scatologische aspect van BPM III. Hetzelfde geldt voor coprofilie en coprofagie, en het ophouden van urine en feces, of omgekeerd juist gebrek aan controle over de sluitspieren. Ervaringen van satanische elementen, zoals de heksensabbat of Zwarte Mis rituelen, combineren dood, seks, agressie en scatologie op een manier die zeer karakteristiek is voor BPM III. Ze komen veelvuldig voor in de ervaringen van psychotische patiënten.
De overgang van BPM III naar BPM IV geeft het spectrum aan psychotische ervaringen episodes van dood en wedergeboorte, apocalyptische visioenen van vernietiging en herschepping van de wereld, en de scènes van het Oordeel der Doden of Laatste Oordeel. Dit kan vergezeld worden door vereenzelviging met Christus of archetypen die dood en wederopstanding vertegenwoordigen, en kan leiden tot ego-inflatie en Messiaanse gevoelens. Hiertoe behoren ook de fantasieën en ervaringen vader te zijn van een Goddelijk Kind of het ter wereld te brengen. Ervaringen van goddelijk inzicht, visioenen van de Grote Moedergodin of vereenzelviging met haar, ontmoetingen met engelen en goden badend in licht, en een gevoel van redding en verlossing zijn ook karakteristieke uitingen van BPM IV.
Toen ik voor het eerst suggereerde dat veel van de psychotische symptoma-tologie op basis van de perinatale dynamiek verklaard kon worden (Grof 1975), kon ik geen klinisch onderzoek vinden dat deze hypothese bevestigde, of deze mogelijkheid zelfs maar onderzocht. Het verbaasde me hoe weinig aandacht onderzoekers hadden geschonken aan een mogelijke relatie tussen psychoses en het geboortetrauma. Vandaag de dag, een kwart eeuw later, bestaat er een overvloed aan klinisch bewijs dat het geboortetrauma een belangrijke rol speelt in de genese van psychoses.
Sterker nog, virale infecties tijdens de zwangerschap van de moeder en verloskundige complicaties tijdens de geboorte, inclusief lang durende bevallingen en zuurstoftekort, behoren tot de weinige consistent gerapporteerde risicofactoren voor het ontwikkelen van schizofrenie (Wright et al. 1997, Verdoux en Murray 1998, Dalman et al 1999, Kane 1999, Warner 1999). Vanwege de binnen de psychiatrie heersende biologische denkwijze wordt er in de meeste van deze interpretaties uitgegaan van de veronderstelling dat de geboorte een of andere subtiele hersenschade heeft veroorzaakt die niet door onze huidige diagnostische methodes ontdekt kan worden. Hierdoor ver-waarlozen de academische theoretici en artsen de primaire rol die de geboorte als belangrijk psychotrauma speelt.
Terwijl de hierboven beschreven perinatale ervaringen die hierboven beschreven werden vaak een combinatie waren van herinneringen aan de biologische geboorte en archetypische thema’s, kan de fenomenologie van psychotische bewust-zijnstoestanden ook allerlei transpersoonlijke ervaringen in zuivere vorm bevatten, zonder vermengd te zijn met biologische perinatale elementen. De meest algemene ervaringen van dit type zijn herinneringen uit vorige levens en ontmoetingen met buitenaardse wezens, goden en demonische wezens. Zo nu en dan kunnen personen die als psychotisch gediagnosticeerd zijn zeer diepe spirituele ervaringen hebben, zoals vereenzelviging met God, met het Absolute of met de Metakosmische Leegte.
Veel van de ervaringen die hierboven beschreven zijn werden gerapporteerd door mystici, heiligen, profeten en spirituele leermeesters van alle tijden. Zoals we eerder al zagen, is het absurd om al deze ervaringen toe te schrijven aan een of ander onbekend pathologisch proces in de hersenen of elders in het lichaam, zoals zo vaak gebeurt in de moderne psychiatrie. Dit stelt ons vanzelf voor het vraagstuk aangaande de relatie tussen psychose en de mystieke ervaring. Ik heb tot nu toe de begrippen psychose en psychotisch gebezigd, zoals gangbaar is in de academische psychiatrie. Zoals we zullen zien, suggereren observaties en ervaringen uit holotrope bewustzijnstoestanden dat ons concept van wat een psychose is radicaal geherdefinieerd moet worden.
Wanneer we naar deze ervaringen kijken in de context van de ruimere cartografie van de psyche die niet gelimiteerd is tot de postnatale biografie maar ook het perinatale en transpersoonlijke domein omvat, wordt duidelijk dat het verschil tussen geestelijke stoornissen en mystiek niet zozeer met de aard en inhoud van de ervaringen te maken heeft maar met de houding die we ertegenover aannemen, de “experiëntiële stijl” van het individu, diens interpretatie ervan en vermogen ze te integreren. Joseph Campbell gebruikte in zijn lezingen vaak een citaat dat die relatie goed omschrijft: “De psychoot verdrinkt in dezelfde wateren waarin de mysticus vreugdevol zwemt.” Mijn eigen bezwaar tegen dit verder zeer toepasselijke citaat heeft te maken met het feit dat de ervaringen van mystici vaak moeilijk en zwaar zijn en niet noodzakelijkerwijs vol vreugde. Maar de mysticus is in staat deze uitdagingen te zien binnen het grotere kader van een spirituele reis die een diepere zin heeft en een wenselijk doel.
Deze benadering van psychose heeft verstrekkende implicaties voor niet alleen de theorie maar ook de therapie en bovenal het verloop en resultaat van deze bewustzijnstoestanden. De observaties uit experiëntiële therapie bevestigen in grote mate de revolutionaire ideeën van de pioniers van de alternatieve interpretatie van psychose, te weten Carl Gustav Jung (1960c), Roberto Assagioli (1977) en Abraham Maslow (1964). We zullen dit belangrijke onderwerp in het volgende hoofdstuk verder uitwerken.

PhotobucketPhotobucketPhotobucket

Katalysatoren van spirituele noodtoestanden

In veel gevallen is het mogelijk om de situatie die aan de psychospirituele crisis voorafging te identificeren. Het kan een primair fysieke factor zijn, zoals een ziekte, ongeluk of operatieve ingreep. Andere keren blijkt extreme fysieke uitputting of langdurig gebrek aan slaap de meest directe oorzaak te zijn. In vrouwen kan het de bevalling, een miskraam of abortus zijn. We hebben ook situaties gezien waarin het begin van het proces samenviel met een buitengewoon krachtige seksuele ervaring.
In andere gevallen begint de psychospirituele crisis kort na een traumatische emotionele ervaring. Dit kan het verlies zijn van een belangrijke relatie, zoals de dood van een kind of ander familielid, een echtscheiding of het einde van een liefdesrelatie. Zo kan ook een reeks mislukkingen of verlies van een baan of persoonlijk bezit direct voorafgaan aan het begin van een spirituele noodtoestand. In personen die er vatbaar voor zijn kan “de laatste druppel” bestaan uit een ervaring met psychedelische substanties of een sessie experiëntiële psychotherapie.
Een van de belangrijkste katalysatoren van spirituele noodtoestanden is de toegewijde beoefening van meditatie en spirituele technieken. Dit zou niemand moeten verbazen, aangezien deze methodes specifiek ontwikkeld zijn om spirituele ervaringen mogelijk te maken. We zijn herhaaldelijk benaderd door personen wier spontaan en herhaaldelijk optredende holotrope bewustzijnstoestanden teweeg werden gebracht door de beoefening van zen of boeddhistische vipassana meditatie, kundalini yoga, soefi-oefeningen, het ingekeerde kloosterleven of christelijk gebed.
Het brede spectrum aan katalysatoren voor spirituele noodtoestanden sugge-reert duidelijk dat de eigen bereidheid tot innerlijke transformatie een veel belangrijkere rol speelt dan de externe stimuli. Wanneer we kijken naar de gemene deler of het gemeenschappelijke verloop van de bovengenoemde situaties, dan zien we dat ze allemaal betrekking hebben op een radicale verschuiving van onbewuste en bewuste processen. Het verzwakken van psychologische afweermechanismen, of omgekeerd een toename van de energetische lading van de onbewuste dynamiek, zorgt ervoor dat het onbewuste (en superbewuste) materiaal in het bewustzijn kan verschijnen.
Het is algemeen bekend dat psychologische afweermechanismen door allerlei biologische verstoringen kunnen worden verzwakt, zoals door fysieke verwonding, uitputting, slaapdeprivatie of bedwelming. Psychologische trauma’s kunnen het on-bewuste in beweging brengen, vooral wanneer ze elementen bevatten die doen denken aan eerdere trauma’s en deel uitmaken van een belangrijk COEX stelsel. Dat de bevalling een enorm potentieel heeft om een psychospirituele crisis uit te lokken, weer-spiegelt het feit dat de bevalling een verzwakking van het lichaam combineert met specifieke reactivering van de perinatale herinneringen.
Mislukkingen en teleurstellingen in de loopbaan of het persoonlijke leven kunnen iemands naar buiten gerichte motivaties en ambities verijdelen. Dit maakt het moeilijker om door middel van externe activiteiten de emotionele problematiek te ontvluchten en kan tot een psychologisch terugtrekken leiden, waardoor de aandacht op de innerlijke wereld gericht wordt. Als gevolg hiervan kan onbewuste inhoud in het bewustzijn terechtkomen en zich inmengen met de waarneming van de normale werkelijkheid, of deze zelfs volledig overschrijven.

Het diagnosticeren van de spirituele noodtoestand

Wanneer we wijzen op de noodzaak spirituele noodtoestanden te herkennen, betekent dit niet dat we zomaar alle theorieën en methodes van de academische psychiatrie verwerpen. Niet alle bewustzijnstoestanden die op dit moment als psychotisch gedia-gnosticeerd worden zijn crisissituaties die tot psychospirituele transformatie of genezing zouden kunnen leiden. Onder de niet-alledaagse bewustzijnstoestanden verstaan we een breed scala, van zuiver spirituele ervaringen tot aandoeningen die duidelijk een biolo-gische aard hebben en een medische behandeling vergen. Hoewel de meeste psychiaters mystieke bewustzijnstoestanden als pathologisch beschouwen, is het ook mogelijk om de tegenovergestelde vergissing te maken door psychotische toestanden te romantiseren of verheerlijken, of nog erger, een ernstig medisch probleem over het hoofd te zien.
Veel hulpverleners in de geestelijke gezondheidszorg willen weten op basis van welke criteria men de “differentiële diagnosis” tussen spirituele noodtoestand en psychose kan maken. Helaas is het in principe onmogelijk zo’n differentiatie te maken op basis van de maatstaven die gebruikt worden in de somatische geneeskunst. In tegenstelling tot ziektes die door de somatische geneeskunst behandeld worden, zijn psychotische toestanden zonder organische basis, de zogenaamde “functionele psychoses”, niet medisch gedefinieerd. Het is zelfs uiterst discutabel of men ze überhaupt wel ziektes kan noemen.
Functionele psychoses zijn zeker geen ziektes zoals diabetes, tyfus of pernicieuze anemie dat zijn. Ze produceren geen specifieke klinische kenmerken die de veronderstelling of diagnose dat ze van een biologische oorsprong zijn zouden bevestigen. De diagnose van deze bewustzijnstoestanden is volledig gebaseerd op de observatie van ongebruikelijke ervaringen en gedrag waarvoor de hedendaagse psychiatrie geen adequate verklaring heeft. Het betekenisloze attribuut “endogeen” dat voor deze aandoeningen wordt gebruikt, bevestigt deze onwetendheid. Er is op dit moment geen reden om naar deze aandoeningen te verwijzen als “geestelijke ziektes” en te veronderstellen dat de ervaringen voortgebracht worden door een pathologisch proces in de hersenen dat nog door toekomstig onderzoek ontdekt moet worden.
Als we er wat langer bij stil staan, beseffen we ons dat het uiterst onwaarschijnlijk is dat een pathologische aantasting van de hersenfunctie op zichzelf de oorzaak kan zijn van het buitengewoon veelzijdige spectrum aan bewustzijnstoestanden die tegenwoordig als psychotisch gediagnosticeerd worden. Hoe kunnen mogelijk abnormale processen in de hersenen de oorzaak zijn van zulke ervaringen als cultuur-specifieke visioenen van psychospirituele dood en wedergeboorte, overtuigende vereenzelviging met Jezus Christus aan het kruis of met de dansende Shiva, sterven op de barricades in Parijs ten tijde van de Franse revolutie, of ingewikkelde scènes waarin men door buitenaardse wezens ontvoerd wordt?
Wanneer soortgelijke ervaringen zich voordoen onder omstandigheden waarin de biologische veranderingen nauwkeurig gedefinieerd zijn, zoals bij toediening van specifieke doseringen chemisch zuivere LSD-25, blijft de aard en oorsprong van hun inhoud een diep mysterie. Tot het brede spectrum aan mogelijke reacties op LSD behoren mystieke vervoering, gevoelens van kosmische eenheid, een gevoel van versmelting met God en herinneringen aan vorige levens, maar ook paranoïde en manische bewustzijnstoestanden, apocalyptische visioenen, psychosomatische reacties en vele andere. Wanneer dezelfde dosering aan verschillende personen gegeven wordt of herhaaldelijk aan dezelfde persoon wordt toegediend, kunnen er uiteenlopende ervaringen opgewekt worden.
Chemische veranderingen in het organisme werken duidelijk als katalysatoren voor de ervaring, maar zijn op zichzelf niet in staat de ingewikkelde visioenen en veelzijdige filosofische en spirituele inzichten voort te brengen, laat staan toegang te verschaffen tot accurate nieuwe informatie over allerlei aspecten van het universum. De toediening van LSD en soortgelijke substanties kan gezien worden als de oorzaak van het in het bewustzijn verschijnen van materiaal uit het diepe onbewuste, maar kan de aard en inhoud ervan niet verklaren. Om de fenomenologie van psychedelische bewustzijnstoestanden te begrijpen, moeten we het onderwerp vanuit een subtielere invalshoek benaderen dan simpelweg te wijzen op biochemische of biologische processen in het lichaam. Dit vergt een uitgebreide benadering, waarbij aandacht moet worden geschonken aan transpersoonlijke psychologie, mythologie, filosofie en vergelijking van godsdiensten. Hetzelfde geldt voor psychospirituele noodtoestanden.
De ervaringen die zich tijdens spirituele noodtoestanden voordoen, zijn geen kunstmatige voortbrengselen van abnormale pathologische processen in de hersenen, maar behoren tot de psyche zelf. Vanzelfsprekend moeten we om dit zo te zien ont-stijgen aan het nauwe begrip van de psyche die de academische psychiatrie ons biedt en gebruik maken van een ruim geëxpandeerd conceptueel raamwerk. Voorbeelden van zulke geëxpandeerde modellen van de psyche zijn de cartografie die eerder in dit boek uiteenzet werd, Ken Wilber’s spectrum psychologie (Wilber 1977), Roberto Assagioli’s psychosynthese (Assagioli 1976) en Carl Gustav Jung’s concept van de psyche als anima mundi, de wereldziel, waartoe ook het historische en archetypische collectieve onbewuste gerekend wordt (Jung 1958). Zo’n ruim en omvattend begrip van de psyche is ook karakteristiek voor de Oosterse filosofie en wereldwijde mystieke tradities.
Aangezien functionele psychoses niet medisch gedefinieerd worden maar psychologisch, is het onmogelijk een zorgvuldig uitgewerkte differentiële diagnose tussen spirituele noodtoestand en psychose te maken zoals dat in de geneeskunde gedaan wordt bij verschillende vormen van encephalitis (hersenontsteking), hersentu-moren of vormen van dementie. Is het dan in het geheel niet mogelijk om diagnostische conclusies te trekken? Hoe kunnen we dit probleem benaderen en welke handvaten kunnen we aanreiken bij gebrek aan een duidelijke en betrouwbare diagnostische differentiatie tussen spirituele noodtoestand en geestelijke ziekte?
Een bruikbaar alternatief is criteria definiëren die het mogelijk maken om te bepalen welke van deze patiënten geschikte kandidaten zijn voor een therapeutische strategie die dit proces aanmoedigt en ondersteunt. Omgekeerd kunnen we ook proberen te bepalen onder welke omstandigheden een alternatieve benadering niet gewenst zou zijn en de huidige toepassing van psychofarmacologische symptoombestrijding de voorkeur geniet.
Een noodzakelijke voorwaarde voor zo’n evaluatie is een goed medisch onderzoek dat vaststelt of er sprake is van een aandoening die een organische aard heeft en dus een biologische behandeling vergt. Zodra dit is uitgesloten, is de volgende belangrijke richtlijn de fenomenologie van de niet-alledaagse bewustzijnstoestand in kwestie. Spirituele noodtoestanden hebben betrekking op een combinatie van biografische, perinatale en transpersoonlijke ervaringen. Dit soort ervaringen kunnen in een groep willekeurig geselecteerde “normale” mensen teweeg gebracht worden door middel van psychedelische substanties, maar ook door zulke eenvoudige methodes als meditatie, sjamanistisch trommelen, sneller ademhalen, evocatieve muziek, lichaams-werk en diverse andere drugvrije technieken.
Therapeuten die holotroop ademwerk toepassen zijn dagelijks getuige van zulke ervaringen en kunnen hun genezend en transformerend potentieel waarderen. Vanuit dit oogpunt is het moeilijk om soortgelijke ervaringen die spontaan plaatsvinden in het leven van alledag, toe te schrijven aan een of andere exotische en vooralsnog onbekende pathologie. Het is zinnig deze ervaringen op dezelfde manier te benaderen als dat in holotrope sessies gebeurt – mensen aanmoedigen zich aan het proces over te geven en het onbewuste materiaal waar men mee te maken krijgt volledig tot uitdrukking te brengen.
Een andere belangrijke prognostische indicator is de houding die de patiënt tegenover het proces heeft en zijn of haar experiëntiële stijl. Het is in het algemeen heel gunstig wanneer de patiënt inziet dat wat hem of haar overkomt een innerlijk proces is, open staat voor experiëntieel werk en het uit wil proberen. Transpersoonlijke strategieën zijn niet geschikt voor mensen die het aan dit elementaire inzicht ontbreekt, hun problematiek op anderen projecteren, of lijden aan achtervolgingswaan. Het vermogen om een goede vertrouwensband te ontwikkelen met de therapeut is een absoluut noodzakelijke voorwaarde om voor psychotherapeutische crisisbehandeling in aanmerking te komen.
Het is ook zeer belangrijk om aandacht te besteden aan de manier waarop cliënten over hun ervaringen vertellen. De communicatieve stijl kan op zichzelf vaak al een indicatie geven welke kandidaten wel of niet geschikt zijn. Het is een goede prognostische indicator als de persoon in kwestie de ervaring op een coherente en heldere wijze kan beschrijven, hoe buitengewoon en vreemd de inhoud ervan ook mag zijn. In zekere zin komt dit overeen met iemand die net een psychedelische sessie heeft beleefd en op intelligente wijze weet te beschrijven wat op de niet-geïnformeerde toehoorder over zou kunnen komen als vreemde en zonderlinge ervaringen.

Soorten spirituele noodtoestanden

Een kwestie die nauw verbonden is aan de problematiek van het maken van een differentiële diagnose is de classificatie van deze noodtoestanden. Is het mogelijk om ze onder te verdelen in specifieke types of categorieën, vergelijkbaar met het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (de DSM IV handleiding) dat toegepast wordt door traditioneel geschoolde psychiaters? Voordat we op deze kwestie ingaan, moet benadrukt worden dat de pogingen om psychiatrische stoornissen te rangschikken in het algemeen niet succesvol zijn geweest, met uitzondering van de aandoeningen die duidelijk een organische basis hebben.
Er bestaat onenigheid over diagnostische categorieën, zowel onder individuele psychiaters als onder psychiatrische stromingen uit verschillende landen. Hoewel de DSM handleiding een aantal keren bijgewerkt en veranderd is, klagen artsen dat ze er moeite mee hebben de symptomen van hun cliënten te koppelen aan de officiële diagnostische categorieën. Spirituele noodtoestanden vormen hierop geen uitzondering. Gezien het feit dat de fenomenologie van psychospirituele noodtoestanden bijzonder veelzijdig is en op alle niveaus van de psyche betrekking kan hebben, is het moeilijk om mensen in nauwkeurig gedefinieerde diagnostische hokjes te plaatsen.
De symptomen van psychospirituele noodtoestanden zijn een manifestatie en veruiterlijking van de diepe dynamiek van de menselijke psyche. De individuele menselijke psyche is een systeem van meerdere dimensies en niveaus, zonder innerlijke verdelingen en grenzen. De elementen uit de postnatale biografie en het freudiaanse individuele onbewuste vormen een continuüm met de dynamiek van het perinatale niveau en het transpersoonlijke domein. We moeten daarom niet denken dat we duide-lijk gedefinieerde en afgebakende soorten spirituele noodtoestanden zullen ontdekken.
En toch heeft ons werk met personen in psychospirituele noodtoestanden, gesprekken met collega’s die soortgelijk werk verrichten en het bestuderen van relevante literatuur ons ervan overtuigd dat het mogelijk en nuttig is om een omschrijving te geven van de belangrijkste en meest karakteristieke crisissituaties. Hun grenzen zijn natuurlijk niet duidelijk en in de praktijk zien we dat ze elkaar overlappen. Ik zal eerst een lijst presenteren van de belangrijkste soorten psychospirituele crisis-toestanden die we hebben geobserveerd, en ze daarna kort bespreken.

1. De sjamanistische crisis
2. Het ontwaken van de kundalini
3. Ervaringen van eenheid (“piekervaringen”)
4. Psychologische regeneratie door naar het centrum terug te keren
5. De crisis van paranormaal openen
6. Ervaringen uit voorgaande levens
7. Channeling en communicatie met lichtgidsen
8. Bijna-dood-ervaringen
9. Het aanschouwen van ufo’s en ontvoering door buitenaardse wezens
10. Bezetenheid
11. Alcoholisme en drugsverslaving

De sjamanistische crisis

Zoals we eerder al hebben besproken, begint de loopbaan van veel sjamanen – medicijnmannen en kruidenvrouwen – met een dramatische, onvrijwillige visionaire bewustzijnstoestand die door antropologen de “sjamanistische ziekte” genoemd wordt. Tijdens zulke episodes trekken toekomstige sjamanen zich in psychologisch of fysiek opzicht terug uit hun alledaagse omgeving en beleven krachtige holotrope ervaringen. Ze ondergaan in de regel een reis naar de onderwereld, het rijk der doden, waar ze worden aangevallen door demonen en worden onderworpen aan afschuwelijke marte-lingen en beproevingen.
Deze pijnlijke initiatie culmineert in ervaringen van dood en amputatie gevolgd door wedergeboorte en omhoog gevoerd worden naar hemelse regionen. Hierbij kan men in een vogel veranderen, zoals een Arend, Dondervogel of Condor, en naar de wereld van de kosmische zon vliegen. De novice sjamaan kan ook ervaren dat hij of zij door deze vogels naar de zon gedragen wordt. In sommige culturen wordt het thema van de magische vliegreis vervangen door het beklimmen van de wereldboom, een regen-boog, een paal met inkepingen, of een van pijlen vervaardigde ladder.
In de loop van deze zware visionaire reizen ontwikkelen de novice sjamanen diep contact met natuurkrachten en dieren, zowel in hun natuurlijke vorm als in hun archetypische versies – “totems” of “krachtdieren”. Wanneer deze visionaire reizen met succes voltooid worden, kunnen ze een buitengewoon genezend effect hebben. In dit proces bevrijden novice sjamanen zich vaak van emotionele, psychosomatische en zelfs lichamelijke ziektes. Om deze reden worden sjamanen vaak “gewonde genezers” genoemd.
De onvrijwillige ingewijden vergaren tijdens deze ervaring meestal diepe inzichten over de energetische en metafysische oorzaken van ziektes en leren hoe ze zowel zichzelf als anderen kunnen genezen. Volgend op het succesvol voltooien van de initiatiecrisis wordt de persoon een sjamaan en keert als volledig functionerend en geëerd lid van de gemeenschap terug naar zijn of haar volk. Hij of zij neemt daarbij de rol aan van een priester, ziener en genezer.
In onze workshops en trainingen voor hulpverleners, hebben moderne Amerikanen, Europeanen, Australiërs en Aziaten tijdens het holotroop ademen ervaringen gehad die veel weg hadden van sjamanistische noodtoestanden. Naast de elementen van fysieke en emotionele marteling, de dood en wedergeboorte, beleefde men tijdens zulke bewustzijnstoestanden een verbondenheid met dieren, planten en natuurelementen.
De personen die zulke noodtoestanden ervaarden vertoonden ook een spontane behoefte om rituelen te creëren die vergelijkbaar zijn met die van sjamanen uit diverse culturen. Sommige hulpverleners uit de geestelijke gezondheidszorg konden de lessen uit hun reizen toepassen op hun werkzaamheden en zo moderne versies van sjamanistische procedures creëren.
Men zegt wel eens dat de houding van inheemse culturen tegenover sjamanistische noodtoestanden het gevolg is van hun gebrek aan elementaire psychiatrische kennis en de daaruit voortvloeiende neiging om alle ervaringen en gedragsvormen die ze niet begrijpen toe te schrijven aan bovennatuurlijke krachten. Maar niets is minder waar. Samenlevingen waarin sjamanen herkend en eer betuigd worden, hebben er geen moeite mee ze te onderscheiden van personen die krankzinnig of ziek zijn.
Om een sjamaan beschouwd te worden, moet de persoon de transformerende reis met succes voltooien en de beproevende holotrope bewustzijnstoestanden op de juiste wijze integreren. Hij of zij moet minstens zo goed functioneren als de andere leden van de stam. De manier waarop deze samenlevingen de sjamanistische crisis benaderen en behandelen is een goed voorbeeld van hoe wij met psychospirituele noodtoestanden om zouden moeten gaan.

PhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucket

Het ontwaken van de kundalini

De verschijningsvormen van deze psychospirituele noodtoestand hebben veel weg van het ontwaken van de kundalini of slangenkracht, zoals omschreven in oude Indiase teksten. Volgens de yogi’s is kundalini de scheppende kosmische energie, vrouwelijk van aard, die verantwoordelijk is voor de schepping van de kosmos. In haar sluimerende vorm verblijft ze aan de basis van de menselijke ruggengraat in het subtiele of energetische lichaam, dat een veld is dat het lichaam doordringt en omgeeft. Deze sluimerende energie kan geactiveerd worden door meditatie, specifieke oefeningen, de inmenging van een vervolmaakt geestelijk leraar (guru), of zonder aanwijsbare reden.
De geactiveerde kundalini genaamd shakti klimt omhoog door de nadi’s, kanalen in het subtiele lichaam. Terwijl het omhoog klimt, ruimt het oude traumatische inprentingen op en opent het de geestelijke energiecentra genaamd chakra’s. Hoewel dit proces in de traditie van de yogi’s erg gewaardeerd wordt en als gunstig gezien wordt, is het niet vrij van gevaren en vergt het de begeleiding van een bekwame guru wiens kundalini volledig ontwaakt en gestabiliseerd is. De meest dramatische tekenen van kundalini-ontwaking zijn fysieke en psychologische verschijnselen genaamd kriya’s.
De kriya’s geven intense gewaarwordingen van energie en hitte die langs de ruggengraat omhoog klimmen, wat gepaard gaat met heftige schokken, spierkrampen en draaibewegingen. Krachtige golven van ogenschijnlijk spontane emoties, zoals angst, woede, verdriet, vreugde en extatische vervoering kunnen bovenkomen en tijdelijk de psyche domineren. Dit kan gepaard gaan met visioenen van stralend licht of arche-typische wezens en innerlijk waargenomen geluiden. Veel mensen die dit proces doormaken hebben ook krachtige ervaringen van wat herinneringen uit voorgaande levens lijken te zijn. Onvrijwillige en vaak onbeheersbare gedragingen maken het beeld compleet: praten in vreemde talen, het chanten van onbekende liederen of heilige spreuken (mantra’s), het aannemen van yoga-houdingen (asana’s) en handgebaren (mudra’s), en het maken van dierengeluiden en -bewegingen.
Carl Gustav Jung en zijn medewerkers wijdden een serie seminars aan dit fenomeen. Jung’s kijk op kundalini bleek een van de meest opmerkelijke vergissingen van zijn hele carrière te zijn. Hij concludeerde dat het ontwaken van de kundalini een exclusief Oosters verschijnsel was en voorspelde dat het minstens duizend jaar zou duren voordat dieptepsychologie deze energie in het Westen in gang zou zetten. Maar in de afgelopen halve eeuw zijn in duizenden westerlingen onmiskenbare tekenen van kundalini-ontwaken geobserveerd. Het was de Californische psychiater en oogheelkundige Lee Sannella die voor het eerst op dit fenomeen wees. Hij bestudeerde in zijn eentje bijna duizend casussen en vatte zijn ontdekkingen samen in The Kundalini Experience: Psychosis or Transcendence (Sannella 1987).

PhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucket

Ervaringen van eenheid (“piekervaringen”)

De Amerikaanse psycholoog Abraham Maslow bestudeerde vele honderden mensen die mystieke ervaringen van eenheid hadden beleefd en bedacht hier de naam piek-ervaringen voor (Maslow 1964). Hij uitte scherpe kritiek op de neiging van de Westerse psychiatrie om zulke mystieke bewustzijnstoestanden met geestesziekte te verwarren. Volgens hem zouden ze moeten worden gezien als supernormale in plaats van ab-normale verschijnselen. Als ze niet gehinderd worden en ze de kans krijgen zich op natuurlijke wijze te ontvouwen, leiden deze bewustzijnstoestanden doorgaans tot beter functioneren in de wereld en tot “zelfactualisatie” of “zelfrealisatie” – het vermogen om het eigen creatieve potentieel vollediger tot uitdrukking te brengen en een bevredigender leven te lijden.
Psychiater en bewustzijnsonderzoeker Walter Pahnke stelde op basis van het werk van Abraham Maslow en W. T. Stace een lijst samen van de fundamentele karaktereigenschappen van de piekervaring. Hij maakte gebruik van de volgende criteria om deze bewustzijnstoestand te beschrijven (Pahnke en Richards 1966):

  • Eenheid (vanbinnen en vanbuiten)
  • Diep ervaren positieve emoties
  • Ontstijgen van tijd en ruimte
  • Een gevoel van goddelijkheid (numinositeit)
  • Paradoxale elementen
  • Objectiviteit en realiteit van de inzichten
  • Niet in woorden uit te drukken
  • Positieve na-effecten

Zoals deze lijst aangeeft hebben we tijdens een piekervaring het gevoel dat we de gebruikelijke fragmentatie van geest en lichaam ontstijgen en we een staat van eenheid en volledigheid hebben bereikt. We transcenderen ook het normale onderscheid tussen waarnemer en voorwerp, en ervaren een extatische eenheid met de mensheid, de natuur, de kosmos en God. Dit gaat gepaard met intense gevoelens van blijdschap, vreugde, sereniteit en innerlijke vrede. In een dergelijke mystieke ervaring hebben we het gevoel de gewone realiteit, waar ruimte drie dimensies heeft en tijd lineair is, te verlaten. We gaan een metafysisch, transcendent gebied binnen waar deze categorieën niet langer gelden. In deze bewustzijnstoestand worden oneindigheid en eeuwigheid experiëntiële realiteiten. De numineuze aard van deze bewustzijnstoestand heeft niets te maken met vooraf gekoesterde religieuze overtuigingen; het weerspiegelt een rechtstreeks besef van de goddelijke aard van de werkelijkheid.
Omschrijvingen van piekervaringen zijn meestal in allerlei opzichten paradoxaal. De ervaring kan omschreven worden als “inhoudloos, maar toch alles-omvattend”; het heeft geen specifieke inhoud maar bevat toch alles in een kiemkrachtige vorm. We kunnen het gevoel hebben tegelijkertijd alles en niets te zijn. Hoewel onze eigen identiteit en het beperkte ego verdwenen zijn, hebben we het gevoel zodanig geëxpandeerd te zijn dat ons wezen het gehele universum omvat. Op dezelfde manier is het mogelijk om alle vormen als leeg waar te nemen, of leegte te zien als vervuld van vormen. We kunnen zelfs een bewustzijnstoestand bereiken waarin we zien dat de wereld tegelijkertijd wel en niet bestaat.
De piekervaring kan het gevoel geven dat men begunstigd wordt met ultieme wijsheid en kennis inzake onderwerpen van kosmische relevantie, wat in de Upanishads beschreven wordt als “het doorgronden van Dat wat kennis over alles geeft.” Wat we tijdens deze ervaring geleerd hebben is onbeschrijfelijk; het kan niet in woorden uitgedrukt worden. De aard en structuur van taal zijn voor dit doeleinde ontoereikend. En toch kan de ervaring ons waardesysteem en onze levensstrategie ingrijpend beïnvloeden.
Vanwege de doorgaans goedgunstige aard en het positieve potentieel van de piekervaring is deze categorie spirituele noodtoestanden het minst problematisch. Deze ervaringen zijn per definitie van voorbijgaande aard en zelfbegrensd. Er is geen enkele reden om te veronderstellen dat ze nadelige consequenties zouden hebben. En toch, als gevolg van de onwetendheid van onze samenleving en de misconcepties van de psychiatrische wereld aangaande spirituele zaken, worden vele mensen die zulke bewustzijnstoestanden ervaren opgenomen in een ziekenhuis, krijgen antipsychotica toegediend en worden in een pathologisch hokje geplaatst.

Psychologische regeneratie door naar het centrum terug te keren

Een ander belangrijk type transpersoonlijke crisis werd omschreven door de Californische psychiater en jungiaanse psychoanalyticus John Weir Perry, die deze crisistoestand het “regeneratieproces” noemde (Perry 1974, 1976). Vanwege de diepte en intensiteit ervan wordt dit type psychospirituele crisis al snel gediagnosticeerd als een ernstige geestesziekte. De ervaringen van mensen die het regeneratieproces door-maken zijn zo vreemd, extreem en ongewoon dat het voor de hand lijkt te liggen dat het functioneren van de hersenen door een ernstig pathologisch proces wordt verstoord.
De personen die dit type crisis doormaken ervaren hun psyche als een kolossaal slagveld waar een kosmische strijd plaatsvindt tussen Goed en Kwaad, of Licht en Duisternis. Ze gaan op in gedachten rondom het thema van de dood – rituele slachting, mensenoffers, martelaarschap en het hiernamaals. Ze zijn gefascineerd door de kwestie van tegenstellingen, met name zaken die gerelateerd zijn aan de verschillen tussen de geslachten. Hun visionaire bewustzijnstoestanden voeren hen steeds verder terug – door hun eigen verleden en de geschiedenis van de mensheid, helemaal naar de schepping van de wereld en de oorspronkelijke ideale toestand van het paradijs. In dit proces streven ze naar vervolmaking, waarbij ze dingen die in het verleden verkeerd waren gegaan proberen te herstellen.
Na een periode van onrust en verwarring worden de ervaringen steeds aange-namer en komt de oplossing van de problematiek in zicht. Het proces eindigt vaak in de ervaring van hieros gamos, of “heilig huwelijk”, waarin het individu verheven wordt tot een vermaarde of zelfs goddelijke status, en gemeenschap met een even voorname partner beleeft. Dit geeft aan dat de mannelijke en vrouwelijke aspecten van de persoonlijkheid een nieuwe balans hebben bereikt. De heilige vereniging kan plaatsvinden met een ingebeeld archetypisch persoon of geprojecteerd worden op een geïdealiseerd persoon uit het eigen leven, die dan een karmische partner of zielsverwant
(soul mate) lijkt te zijn.
Men kan dan ook ervaringen hebben met wat in de jungiaanse psychologie geïnterpreteerd wordt als symbolen die het Zelf vertegenwoordigen, het transpersoonlijke middelpunt dat onze diepste en ware aard weerspiegelt en gerelateerd doch niet identiek is aan het hindoeïstische concept van atman-brahman, het “goddelijke vanbinnen”. In visionaire bewustzijnstoestanden kan het verschijnen in de vorm van een bovennatuurlijke lichtbron, kostbare edelstenen, parels, stralende juwelen en soortgelijke symboliek. Voorbeelden van deze ontwikkeling, van pijnlijke en beproevende ervaringen tot de ontdekking van de eigen goddelijkheid, zijn te vinden in John Perry’s boeken (Perry 1953, 1974, 1976) en in The Stormy Search for the Self, ons boek over spirituele noodtoestanden (Grof en Grof 1990).
In dit stadium van het proces worden deze glorieuze ervaringen geïnterpreteerd als een persoonlijke apotheose, een rituele viering die de beleving van het zelf verheft tot een hoog verheven menselijke status of een positie die de menselijke levensvorm geheel ontstijgt – een groot leider, Verlosser van de wereld, of zelfs de Heer van het universum. Dit gaat vaak gepaard met een diepgaande beleving van spirituele wedergeboorte die de eraan voorafgaande fascinatie voor de dood vervangt. Ten tijde van de voltooiing en integratie ziet men doorgaans een ideale toekomst voor zich – een nieuwe wereld die geregeerd wordt door liefde en rechtvaardigheid, waarin al het kwaad en onheil overwonnen zijn. Wanneer de intensiteit van het proces afneemt, beseft de persoon zich dat het hele drama een psychologische transformatie was die zich beperkte tot de innerlijke wereld en niet per se betrekking had op de externe werkelijkheid.
Volgens John Perry brengt het regeneratieproces de persoon tot wat Jung “individuatie” noemde – een volledige verwerkelijking en uitdrukking van het eigen diepste potentieel. Eén aspect van Perry’s onderzoek verdient onze bijzondere aandacht, aangezien dit wellicht het meest overtuigende bewijs vormt dat de ervaringen van het regeneratieproces niet verklaard kunnen worden op basis van een simplistisch biologisch concept van psychose. Hij toonde aan dat de ervaringen van het regeneratieproces exact overeenkomen met de hoofdthema’s van koninklijke toneelspelen die in vele archaïsche samenlevingen op Nieuwjaarsdag opgevoerd werden.
In al deze samenlevingen werden zulke rituele toneelspelen ter viering van het nieuwe jaar opgevoerd tijdens wat Perry het “archaïsche tijdperk van geïncarneerde mythe” noemt. Dit was de periode in de historie van deze samenlevingen waarin de heersers als geïncarneerde goden werden gezien. Voorbeelden van zulke god-koningen waren de Egyptische farao’s, de Peruaanse Inca’s, de Hebreeuwse en Hittitische koning-en, en de Chinese en Japanse keizers (Perry 1966). Het positieve potentieel van het regeneratieproces en de diepe verbanden ervan met archetypische symboliek en specifieke perioden uit de geschiedenis van de mensheid, vormen een overtuigend argument tegen de theorie dat deze ervaringen chaotische pathologische voortbrengselen zijn van zieke hersenen.

De crisis van paranormaal openen

Een toename van intuïtieve vermogens en het optreden van helderziendheid of paranormale verschijnselen komen tijdens allerlei soorten spirituele noodtoestanden veelvuldig voor. Maar in sommige gevallen is het binnenkomen van informatie uit niet-gebruikelijke bronnen zoals voorgevoelens, telepathie of helderziendheid zo overweldigend en verwarrend dat dit het beeld domineert en op zichzelf een belangrijk probleem vormt.
Een van de meest dramatische uitingsvormen van paranormaal openen zijn buitenlichamelijke ervaringen, ook wel bekend als uittredingen. Tijdens alledaagse activiteiten en vaak zonder een bepaalde aanleiding lijkt het bewustzijn zich van het lichaam los te maken en is het getuige van wat er in de omgeving van het lichaam gebeurt of in allerlei afgelegen locaties. De informatie die tijdens deze gebeurtenissen door buitenzintuiglijke waarneming ingewonnen wordt komt vaak overeen met de consensus realiteit. Buitenlichamelijke ervaringen vinden buitengewoon frequent plaats tijdens bijna-dood situaties, waar de juistheid van dit “waarnemen op afstand” in systematische onderzoeken is bevestigd (Ring 1982, 1985, Ring en Valarino 1998).
Mensen die intens paranormaal openen ervaren zouden zo gevoelig kunnen worden voor de innerlijke denkprocessen van anderen dat ze opmerkelijke telepathische vermogens tentoonspreiden. Ze zouden zonder onderscheid accurate en doortastende inzichten kunnen verwoorden die betrekking hebben op allerlei zaken die deze mensen proberen te verbergen. Dit kan anderen zodanig beangstigen, irriteren en vervreemden dat dit vaak bijdraagt aan onnodige ziekenhuisopname. Zo kunnen ook het accuraat voorspellen van toekomstige situaties en helderziende waarnemingen, met name wanneer ze herhaaldelijk plaatsvinden, de persoon die de crisis doormaakt en de mensen in diens omgeving ernstig verontrusten, aangezien het hun kijk op de werkelijkheid ondermijnt.
In ervaringen die “mediumistisch” genoemd kunnen worden, heeft men het gevoel de eigen identiteit te verliezen en de identiteit van een ander persoon aan te nemen. Hierbij kan sprake zijn van het aannemen van andermans lichaamsbeeld, houding, gebaren, gezichtsuitdrukking, gevoelens en zelfs gedachteprocessen. Vervolmaakte sjamanen, helderzienden en spiritueel genezers kunnen op een beheerste en productieve wijze van zulke ervaringen gebruik maken. In tegenstelling tot de personen die een spirituele noodtoestand doormaken, zijn zij in staat doelbewust de identiteit van anderen aan te nemen en ook hun eigen identiteit weer aan te nemen zodra ze het doeleinde van de sessie vervuld hebben. Tijdens de crisissituaties van paranormaal openen kan het plotselinge, onvoorspelbare en onbeheerste verlies van de vertrouwde eigen identiteit erg beangstigend zijn.
Mensen die een spirituele crisis doormaken ervaren vaak bizarre toeval-ligheden die de wereld van innerlijke realiteiten, zoals dromen en visionaire bewustzijnstoestanden, verbinden met gebeurtenissen in het leven van alledag. Dit verschijnsel werd het eerst erkend en beschreven door Carl Gustav Jung, die dit synchroniciteit noemde en er in een aparte verhandeling uitvoerig aandacht aan besteedde (Jung 1960a). Het onderzoeken van synchronistische gebeurtenissen hielp Jung zich te beseffen dat archetypen geen principes zijn die zich beperken tot het intrapsychische domein. Het werd hem duidelijk dat ze een “psychoïde” karakter hadden, waarmee hij bedoelde dat ze niet alleen de psyche beheersen, maar ook gebeur-tenissen in de wereld van de consensus realiteit. Ik ben in mijn andere publicaties uitvoerig op dit fascinerende onderwerp ingegaan (Grof 1988, 1992).
Jungiaanse synchroniciteiten zijn authentieke verschijnselen en kunnen niet genegeerd worden of afgedaan als toevalligheden. Ze moeten ook zeker niet zomaar afgedaan worden als pathologische verstoringen van de werkelijkheid – het waarnemen van betekenisvolle verbanden waar deze er feitelijk niet zijn. Dit is helaas wel de algemene gang van zaken binnen de hedendaagse psychiatrie waar elke toespeling op betekenisvolle toevalligheden automatisch als “betrekkingswaan” gediagnosticeerd wordt. In het geval van ware synchroniciteiten erkennen alle geïnformeerde en ruimdenkende getuigen dat de betrokken toevalligheid aan elke statistische waarschijn-lijkheid voorbijgaat. Buitengewone synchroniciteiten vergezellen vele soorten spirituele noodtoestanden maar komen vooral veelvuldig voor in de crisis van paranormaal openen.

Ervaringen uit voorgaande levens

Tot de meest dramatische en kleurrijke transpersoonlijke ervaringen behoren her-inneringen aan wat voorgaande incarnaties lijken te zijn. Dit zijn scènes die zich afspelen in andere perioden uit de geschiedenis en vaak in andere landen, en die meestal gepaard gaan met krachtige emoties en fysieke gewaarwordingen. Ze beelden vaak in detail de betrokken personen, omstandigheden en historische achtergrond uit. Hun meest opmerkelijke aspect is een overtuigend gevoel iets te herinneren of herbeleven dat men in het verleden al eens heeft gezien (déjà vu) of ervaren (déjà vecu). Dit is zonder twijfel het soort ervaring dat in India en andere landen heeft geleid tot het geloof in reïncarnatie en de wet van karma.
De veelzijdige en accurate informatie die deze “herinneringen uit vorige levens” produceren, evenals hun geneeskrachtige potentieel, moedigen ons aan ze serieus te nemen. Wanneer de inhoud van een karmische ervaring volledig in iemands bewustzijn verschijnt, kan het plotseling een verklaring geven voor vele anders onbegrijpelijke aspecten van diens dagelijkse leven. Onverklaarbare problemen in relaties met bepaalde mensen, ongegronde angsten en vreemde eigenaardigheden en interesses, evenals mysterieuze emotionele en psychosomatische symptomen blijken karmische gevolgen van een voorgaand leven te zijn. De problematiek hiervan verdwijnt in de regel wanneer het betrokken karmische patroon volledig en bewust ervaren wordt.
Ervaringen uit vorige levens kunnen op allerlei manieren voor problemen zorgen. Voordat hun inhoud volledig het bewustzijn doordringt en waargenomen wordt, kan men in het dagelijkse leven al last hebben van vreemde emoties, fysieke gevoelens en visioenen, zonder te weten waar ze vandaan komen of wat ze te betekenen hebben. Wanneer ze buiten hun oorspronkelijke context ervaren worden, komen deze ervaringen vanzelfsprekend over als onbevattelijk en irrationeel. Een ander probleem ontstaat wanneer een bijzonder krachtige karmische ervaring in het bewustzijn verschijnt tijdens alledaagse activiteiten en het normale functioneren belemmert.
Men zou zich er ook toe gedreven kunnen voelen om naar sommige elementen van het karmische patroon te handelen, nog voordat het volledig ervaren, begrepen of voltooid is. Zo zou het opeens kunnen lijken alsof een bepaald persoon uit het huidige leven een belangrijke rol speelde in de incarnatie waarvan de herinnering in het bewustzijn verschijnt. Wanneer dit gebeurt, zou men emotioneel contact kunnen zoeken met een persoon die nu een “zielsverwant” lijkt te zijn uit het karmische verleden, of juist een confrontatie of krachtmeting aangaan met een voormalige vijand. Dit soort activiteiten kunnen tot onaangename complicaties leiden, aangezien de vermeende karmische partners zelf meestal geen ervaringen hebben om dit gedrag te kunnen begrijpen.
Zelfs wanneer men er in slaagt om het gevaar van gênante handelingen te vermijden, zijn de problemen niet per se over. Nadat een herinnering uit een vorig leven volledig in het bewustzijn verschenen is en de inhoud en gevolgtrekkingen ervan geopenbaard zijn, is er nog steeds één belangrijke uitdaging. Men moet deze ervaring rijmen met de traditionele opvattingen en waarden van de Westerse samenleving. De verwerping van het concept van reïncarnatie vertegenwoordigt een zeldzaam geval van volledige overeenstemming tussen de christelijke kerk en materialistische wetenschap. Zodoende is in de Westerse samenleving het aanvaarden en integreren van herin-neringen uit vorige levens een moeilijke taak voor zowel de atheïst als de traditionele gelovige.
Het in het bestaande geloofssysteem integreren van herinneringen uit voorgaande levens kan een relatief makkelijke taak zijn voor iemand die niet sterk toegewijd is aan het christendom of het materialistische wereldbeeld. De ervaringen zijn meestal zo overtuigend dat men hun boodschap simpelweg accepteert en zelfs heel enthousiast kan worden over deze nieuwe ontdekking. Maar worden fundamentalistische christenen en zij die zich helemaal toegelegd hebben op rationaliteit en het traditionele weten-schappelijke perspectief geconfronteerd met overtuigende persoonlijke ervaringen die tegen hun geloofssysteem indruisen, dan kunnen ze een langdurige periode van verwarring doormaken.

Channeling en communicatie met lichtgidsen

Zo nu en dan kan men tijdens holotrope ervaringen te maken met een wezen dat geïnteresseerd is in een persoonlijke relatie en de rol aanneemt van een leraar, gids, beschermer of simpelweg een handige bron van informatie. Zulke wezens worden meestal gezien als onbelichaamde mensen, bovenmenselijke wezens of goden die bestaan op hogere bewustzijnsniveaus en begiftigd zijn met unieke wijsheid. Soms nemen ze de vorm aan van een persoon; andere keren verschijnen ze als stralende bronnen van licht, of laten enkel hun aanwezigheid voelen. Hun boodschappen worden meestal ontvangen in de vorm van directe overdracht van gedachten of via andere buitenzintuiglijke middelen. In sommige gevallen kan communicatie de vorm aannemen van gesproken boodschappen.
Een zeer interessant verschijnsel in deze categorie is channeling, dat de laatste jaren veel aandacht heeft gekregen in de media. Een persoon die “channelt” draagt aan anderen boodschappen over, afkomstig van een bron die zich buiten zijn of haar eigen bewustzijn lijkt te bevinden. Deze boodschappen worden in een trancetoestand gesproken of verschijnen in de vorm van automatisch schrift. Channelen heeft een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van de mensheid. Onder het gechannelde spirituele onderricht bevinden zich vele geschriften van enorme culturele invloed, zoals de Veda’s uit het oude India, de Koran en het Boek van Mormon. Een opmerkelijk hedendaags voorbeeld van een gechannelde tekst is Een Cursus In Wonderen, vast-gelegd door psycholoog Helen Schucman (Anoniem 1975).
Ervaringen van channelen kunnen voorafgaan aan een ernstige psychologische en spirituele crisis. Eén mogelijkheid is dat de betrokken persoon de ervaring inter-preteert als een teken van beginnende krankzinnigheid. Dit is met name waarschijnlijk als het channelen gepaard gaat met het horen van stemmen, een bekend symptoom van paranoïde schizofrenie. De kwaliteit van het gechannelde materiaal varieert van oppervlakkig en twijfelachtig geklets tot buitengewoon fascinerende informatie. Zo nu en dan kan channelen consistente en accurate informatie opleveren over onderwerpen waaraan de ontvanger nooit eerder is blootgesteld. Dit feit kan dan overkomen als bijzonder overtuigend bewijs dat er bovennatuurlijke dimensies bij betrokken zijn en kan voor een atheïst of een wetenschapper met een materialistisch wereldbeeld leiden tot ernstige filosofische verwarring.
Lichtgidsen worden meestal waargenomen als hoog geëvolueerde spirituele wezens die begiftigd zijn met een superieure intelligentie en buitengewone morele integriteit. Dit kan in de channeler tot uiterst problematische ego-inflatie leiden, waarbij deze het gevoel heeft voor een speciale missie verkozen te zijn en dit ziet als bewijs voor zijn of haar eigen superioriteit.

Bijna-dood-ervaringen

In de wereldwijde mythologie, folklore en spirituele literatuur vinden we een overvloed aan levendige verslagen die de ervaringen van dood en sterven beschrijven. Bepaalde heilige teksten zijn exclusief gewijd aan beschrijvingen van de postume reis van de ziel, zoals het Tibetaans Dodenboek (Bardo Thödol), het Egyptisch Dodenboek (Pert em hru) en hun Europese variant Ars Moriendi (De Kunst van het Sterven) (Grof 1994).
In het verleden werd deze begrafenismythologie door Westerse geleerden afgedaan als een voortbrengsel van de fantasie en ijdele hoop van primitieve mensen die de tijdelijkheid van het bestaan en hun eigen sterfelijkheid niet onder ogen wilden zien. Dit veranderde drastisch na de publicatie van Raymond Moody’s bestseller Life After Life, dat deze verslagen een wetenschappelijke bevestiging gaf en aantoonde dat het beleven van de dood voor het bewustzijn een fantastisch avontuur kan zijn. Moody’s boek was gebaseerd op verslagen van 150 mensen die de dood in de ogen hadden gekeken, of zelfs klinisch dood waren verklaard, maar weer tot bewustzijn kwamen en konden vertellen wat ze ervaren hadden (Moody 1975).
Moody rapporteerde dat mensen die een bijna-dood-ervaring (BDE) hadden beleefd frequent een terugblik op hun hele leven hadden in de vorm van een kleurrijke, extreem samengevatte herhaling, die plaatsvond in luttele seconden van de normale kloktijd. Het bewustzijn koppelde zich regelmatig los van het lichaam en zweefde naar verre bestemmingen. Veel mensen beschreven een reis door een donkere tunnel naar een licht van bovennatuurlijke helderheid en pracht.
Dit licht was niet fysiek maar had duidelijk persoonlijke kenmerken. Het was een Wezen van Licht, dat oneindige, alles-omarmende liefde, vergiffenis en acceptatie uitstraalde. In een persoonlijke uitwisseling, die vaak gezien werd als een ontmoeting met God, ontvingen deze personen lessen over het bestaan en universele wetten, en hadden de gelegenheid om aan de hand van deze nieuwe maatstaven hun verleden te overdenken. Daarna kozen ze ervoor naar de gewone werkelijkheid terug te keren en hun leven te leiden in overeenstemming met de principes die ze geleerd hadden. Sinds hun publicatie zijn Moody’s bevindingen herhaaldelijk door andere onderzoekers bevestigd.
De meeste overlevenden komen diep getransformeerd uit hun bijna-dood-ervaring. Ze hebben een universele en alles-omvattende spirituele kijk op de werkelijkheid, een nieuw waardesysteem en een radicaal vernieuwde levensstrategie. Ze hebben diepe waardering voor het feit dat ze leven, voelen zich verbonden met alle levensvormen en zijn begaan met de toekomst van de mensheid en de planeet. Maar het feit dat de aanvaring met de dood een enorm positief potentieel heeft, betekent niet dat deze transformatie gemakkelijk is.
Bijna-dood-ervaringen leiden zeer vaak tot spirituele noodtoestanden. Een krachtige BDE kan het wereldbeeld dat iemand heeft radicaal ondermijnen, aangezien het hen abrupt en zonder waarschuwing in een werkelijkheid werpt die radicaal van het gewone leven verschilt. Een auto-ongeluk in het midden van de spits of een hartaanval tijdens het joggen kan iemand in luttele seconden op een fantastische visionaire reis sturen die zijn of haar gewone werkelijkheid aan flarden scheurt. Volgend op een bijna-dood-ervaring hebben mensen speciale counseling en steun nodig om in staat te zijn deze buitengewone ervaringen in hun leven van alledag te integreren.

Het zien van ufo’s en ontvoerd worden door buitenaardse wezens

De ervaring van het zien van buitenaardse ruimteschepen en ontvoerd worden door buitenaardse wezens kan vooraf gaan aan ernstige emotionele en intellectuele crisis-toestanden die veel gemeen hebben met spirituele noodtoestanden. Dit feit vereist een verklaring, aangezien de meeste mensen naar ufo’s kijken vanuit één van de volgende vier perspectieven: 1) de aarde wordt werkelijk bezocht door buitenaardse ruimtesche-pen; 2) er is sprake van bedrog; 3) natuurlijke verschijnselen en toestellen van aardse oorsprong worden verkeerd waargenomen; 4) men heeft last van psychotische hallucinaties. Alvin Lawson heeft op basis van mijn klinische werk een poging gedaan om de ervaring van het in een ufo ontvoerd worden te interpreteren als een misinterpre-tatie van het geboortetrauma (Lawson 1984).
Beschrijvingen van ufo waarnemingen verwijzen in de regel naar vreemde, bovennatuurlijke lichten. Deze lichten hebben veel weg van het licht dat in talloze verslagen van visionaire bewustzijnstoestanden beschreven wordt. Carl Gustav Jung, die een speciaal onderzoek wijdde aan het vraagstuk van de “vliegende schotels”, suggereerde dat deze verschijnselen geen psychotische hallucinaties of bezoekjes van buitenaardse wezens uit verre beschavingen zijn maar archetypische visioenen die hun oorsprong hebben in het collectieve onbewuste van de mensheid (Jung 1964). Hij onderbouwde zijn thesis met een zorgvuldige analyse van de legenden over vliegende schotels die in de loop van de geschiedenis verteld zijn en verslagen van feitelijke verschijningen die zo nu en dan voor collectieve crisistoestanden en massale paniek hebben gezorgd.
Er is ook op gewezen dat de buitenaardse wezens die bij deze ontmoetingen betrokken zijn belangrijke raakvlakken hebben met de wereldwijde mythologie en religie, die weer geworteld zijn in het collectieve onbewuste. De buitenaardse ruimteschepen en kosmische vluchten, beschreven door mensen die beweren dat ze zijn ontvoerd of voor een reisje zijn uitgenodigd, hebben hun evenbeelden in de spirituele literatuur, zoals de vliegende strijdwagen van de vedische god Indra of Ezekiël’s vlammende machine uit de Bijbel. De wonderbaarlijke landschappen en steden die ze tijdens deze reizen bezoeken, lijken op de visionaire ervaringen van het paradijs, hemelse oorden en steden van licht.
Vaak rapporteren de ontvoerden dat de buitenaardse wezens hen naar een speciaal laboratorium namen en hen onderwierpen aan allerlei experimenten en pijnlijke onderzoeken, waarbij ze diverse exotische instrumenten gebruikten. Soms worden hier-bij de lichaamsholten onderzocht met speciale aandacht voor de geslachtsorganen. Er zijn vaak verwijzingen naar genetische experimenten voor het produceren van hybride nageslacht. Deze handelingen zijn zeer pijnlijk en grenzen aan marteling. Dit doet de ervaringen van de ontvoerden veel weg hebben van de initiatiecrisis van sjamanen en de beproevingen van ingewijden in inheemse overgangsriten.
Er is nog een andere reden waarom een ufo-ervaring aan een spirituele crisis vooraf kan gaan. Het is vergelijkbaar met het probleem dat we eerder al bespraken in relatie tot lichtgidsen en channelen. De buitenaardse bezoekers worden meestal gezien als vertegenwoordigers van beschavingen die veel verder ontwikkeld zijn dan de onze, niet alleen technologisch maar ook intellectueel, moreel en spiritueel. Zulk contact heeft vaak een zeer krachtige mystieke ondertoon en gaat gepaard met inzichten van kosmische relevantie. De ontvangers van deze speciale aandacht kunnen daardoor makkelijk het idee krijgen dat ze heel bijzonder zijn.
Ontvoerde personen zouden kunnen denken dat ze de aandacht hebben getrokken van superieure wezens uit een hoogontwikkelde beschaving omdat ze in een bepaald opzicht zelf uitzonderlijk en uitermate geschikt zijn voor een speciale missie. In de jungiaanse psychologie wordt een situatie waarin het individu zich de glorie van de archetypische wereld toe-eigent “ego inflatie” genoemd. Om al deze redenen kunnen ervaringen van “close encounters” tot ernstige transpersoonlijke crisistoestanden leiden.
Mensen die de vreemde wereld van ufo waarnemingen en ontvoering door buitenaardse wezens hebben ervaren, vereisen professionele hulp van iemand die algemene kennis heeft van archetypische psychologie en bekend is met de specifieke kenmerken van het ufo verschijnsel. Ervaren onderzoekers, zoals Harvard psychiater John Mack, hebben met een ruime hoeveelheid bewijsmateriaal aangetoond dat de ervaringen van ontvoeringen door buitenaardse wezens een ernstige conceptuele uitdaging vormen voor de Westerse psychiatrie en de materialistische wetenschap in het algemeen, en dat het naïef en onverdedigbaar is om ze te zien als uitingen van een geestesziekte, of ze simpelweg te negeren (Mack 1994, 1999).
Door de jaren heen heb ik met vele personen gewerkt die in hun psychedelische sessies, holotroop ademwerk en spirituele noodtoestanden realistische ervaringen van ontvoering door buitenaardse wezens hadden. Vrijwel zonder uitzonde-ring waren deze belevenissen experiëntieel zeer overtuigend; zo nu en dan hadden ze ook duidelijk psychoïde eigenschappen. In het licht van mijn observaties ben ik er van overtuigd dat deze ervaringen unieke verschijnselen zijn en serieus onderzoek verdienen. De uitleg van de meeste psychiaters, dat het voortbrengselen zijn van een onbekend pathologisch proces in de hersenen, is duidelijk te simplistisch en uiterst onwaarschijnlijk.
Het alternatief, dat buitenaardse wezens ons vanuit andere werelden bezoeken, is even onwaarschijnlijk. Een buitenaardse beschaving die het vermogen heeft om ruimteschepen naar onze wereld te sturen zou technische middelen moeten hebben die we ons niet eens voor kunnen stellen. We hebben genoeg informatie over de planeten binnen ons zonnestelsel om te weten dat zij onwaarschijnlijke startpunten zijn van zo’n expeditie. De afstand van de meest nabije ster buiten ons zonnestelsel is vele lichtjaren. Het overbruggen van zulke afstanden zou snelheden vereisen die de snelheid van het licht benaderen of er zou sprake moeten zijn van interdimensionaal reizen door de hyperruimte. Een beschaving die tot zulke dingen in staat is, zou zeer waarschijnlijk over technologie beschikken die het ons onmogelijk zou maken om onderscheid te maken tussen hallucinatie en werkelijkheid. Totdat meer betrouwbare informatie beschikbaar is, lijkt het ons het meest zinnig om de ufo ervaringen te zien als uitingen van archetypische elementen in het collectieve onbewuste.

Bezetenheid

Mensen die deze transpersoonlijke crisis doormaken hebben sterk het gevoel dat een kwaadaardige entiteit of energie met persoonlijke kenmerken hun psyche en lichaam binnengedrongen is en dat ze er door worden bestuurd. Ze zien het als iets dat van buiten hun eigen persoonlijkheid komt, en vijandig en beangstigend is. Het kan een verward onbelichaamd wezen zijn, een demon, of het bewustzijn van een zondig persoon die hen door middel van zwarte magie of een vloek binnendringt.
Er bestaan verschillende vormen en gradaties van zulke situaties. In sommige gevallen blijft de ware aard van deze stoornis verborgen. Het probleem manifesteert zich dan als ernstige psychopathologie, zoals asociaal of zelfs crimineel gedrag, suïcidale depressie, moordlustige agressie of zelfvernietigend gedrag, overspelige en perverse seksuele impulsen en handelingen, of buitensporig gebruik van alcohol en drugs. Het is vaak niet voordat een persoon aan experiëntiële psychotherapie is begonnen dat de “bezetenheid” geïdentificeerd wordt als een conditie die aan deze problemen ten grondslag ligt.
Middenin een experiëntiële sessie kan het gezicht van de bezeten persoon verkrampt raken en een “masker van het kwaad” vormen waarbij de ogen een wilde blik aannemen. De handen en het lichaam kunnen zich in vreemde bochten wringen en de stem kan zodanig veranderen dat het niet langer van deze wereld lijkt te zijn. Wanneer deze situatie zich ongehinderd kan ontwikkelen, lijkt de sessie erg op de uitdrijvingen van de katholieke kerk of de uitdrijvingsrituelen in inheemse samenlevingen. Verlichting volgt vaak na dramatische ademnood, projectielbraken en uitzinnige lichamelijke activiteit, of zelfs tijdelijk verlies van zelfbeheersing. Dit soort belevingen kunnen buitengewoon genezend en transformerend zijn en brengen de betrokken persoon vaak tot een diepe spirituele bekering. Een gedetailleerde beschrijving van de meest dramatische episode die ik in mijn hele professionele loopbaan geobserveerd heb kan gevonden worden in een van mijn voorgaande publicaties (de casus van Flora) (Grof 1980).

Photobucket

Andere keren is de bezeten persoon zich bewust van de aanwezigheid van een “kwaadaardig wezen” en steekt veel moeite in pogingen het te bevechten en de invloed ervan onder controle te krijgen. In de extreme versie van bezetenheid kan de proble-matische energie zich spontaan voordoen en midden in het leven van alledag de controle overnemen. Een dergelijke situatie lijkt op die welke we eerder omschreven voor experiëntiële sessies, maar het individu ontbreekt het in dit geval aan de steun en bescherming die door de therapeutische context geboden wordt. Onder zulke omstandigheden kan hij of zij zich buitengewoon angstig voelen en zielsalleen. Familieleden, vrienden en zelfs therapeuten hebben de neiging bij de “bezeten” persoon uit de buurt te blijven en te reageren met een vreemde mengeling van metafysische angst en morele afkeur. Ze bestempelen de persoon vaak als kwaadaardig en weigeren verder contact te onderhouden.
Deze conditie hoort duidelijk thuis in de categorie “spirituele noodtoestand”, ook al zijn er negatieve energieën bij betrokken en wordt het in verband gebracht met vele bezwaarlijke gedragingen. De demonische archetype is per definitie transpersoon-lijk, aangezien dit het negatieve spiegelbeeld is van het goddelijke. Heel vaak lijkt het ook een “poort-verschijnsel” te zijn, vergelijkbaar met de schrikwekkende bewakers die naast de deuren van Oosterse tempels opgesteld staan. Het verbergt de toegang tot de diepe spirituele ervaring, die vaak volgt op een succesvol voltooide staat van bezeten-heid. Met de hulp van iemand die niet bang is voor de griezelige aspecten van deze ervaring en de volledige bewuste uitdrukking ervan kan aanmoedigen, wordt deze energie verdreven en vindt opmerkelijke genezing plaats.

Verslaving aan alcohol en drugs als een spirituele noodtoestand

Het is zinnig om ook verslaving als een soort spirituele noodtoestand te beschrijven, ondanks het feit dat de uiterlijke verschijning ervan verschilt van de meer voor de hand liggende psychospirituele noodtoestanden. Net als bij bezetenheid is bij verslaving de spirituele dimensie versluierd door de destructieve en zelfvernietigende aard van de stoornis. Terwijl mensen bij andere soorten spirituele noodtoestanden met problemen te maken krijgen omdat ze niet goed met hun mystieke ervaringen om kunnen gaan, is bij verslaving de bron van het probleem een diepe spirituele hunkering en het feit dat er nog geen contact is gemaakt met de mystieke dimensie.
Er bestaat een overvloed aan gegevens die bevestigen dat de zucht naar drugs en alcohol een niet-herkende zucht naar transcendentie of heelheid is. Vele ex-verslaafden omschrijven hun verslaving als een rusteloze zoektocht naar een onbekend missend element of ontbrekende dimensie in hun levens en beschrijven hun niet-bevredigende en frustrerende najagen van substanties, voedingswaren, relaties, bezittingen of macht als een onophoudelijke poging die zucht te vervullen (Grof 1993).
Eerder bespraken we de oppervlakkige gelijkenis tussen mystieke bewustzijns-toestanden en de intoxicatie van alcohol en harddrugs. Beide toestanden delen het oplossen van individuele grenzen, het verdwijnen van vervelende emoties en het transcenderen van wereldse problemen. Hoewel de intoxicaties van alcohol en drugs vele belangrijke karakteristieken van de mystieke bewustzijnstoestand missen, zoals sereniteit, numinositeit en filosofische inzichten, is de experiëntiële overlapping vol-doende om alcoholisten en verslaafden tot misbruik aan te sporen.
William James was zich bewust van dit verband en schreef erover in zijn Varieties of Religious Experience: “De invloed van alcohol op de mensheid is zonder twijfel te wijten aan het vermogen ervan de mystieke faculteiten van de menselijke natuur te stimuleren, meestal met de grond gelijk gemaakt door de kille feiten en kritiek van de nuchtere toestand. Nuchterheid vermindert, maakt onderscheid en zegt nee; dronkenschap expandeert, verenigt en zegt ja” (James 1961). Hij zag ook de implicaties van dit feit voor therapie, dat hij zeer bondig uitdrukte in zijn beroemde uitspraak: “De beste behandeling van dipsomanie (een archaïsch woord voor alcoholisme) is religio-manie.”
Een vergelijkbaar inzicht van C. G. Jung speelde een sleutelrol in de ont-wikkeling van het wereldwijde netwerk van Twaalf Stappen programma’s. Het is niet algemeen bekend dat Jung een zeer belangrijke rol speelde in de totstandkoming van Alcoholics Anonymous (AA). De informatie over dit minder bekende aspect van Jung’s werk kan gevonden worden in een brief die Bill Wilson, de medeoprichter van de AA, in 1961 aan Jung schreef (Wilson en Jung 1963).
Jung had een patiënt, Roland H., die hem benaderde nadat hij al allerlei manieren had uitgeprobeerd om van zijn alcoholisme af te komen. Volgend op een tijdelijke verbetering na een jaar behandeling door Jung had hij een terugval. Jung vertelde hem dat zijn geval hopeloos was en suggereerde dat de enige kans die hij nog had het toetreden tot een religieuze gemeenschap was en te hopen op een diepe spirituele ervaring. Roland H. trad toe tot de Oxford Group, een evangelische beweging die de nadruk legt op bezinning, biechten en dienst. Daar ervaarde hij een religieuze bekering die hem bevrijdde van zijn alcoholisme. Hij keerde vervolgens terug naar New York en werd erg actief in de Oxford Group aldaar. Hij was in staat Bill Wilson’s vriend Edwin T. te helpen, die op zijn beurt Bill Wilson hielp in zijn persoonlijke crisis. Tijdens zijn krachtige spirituele ervaring had Bill Wilson een visioen van een wereldwijd genootschap van alcoholisten die elkaar hielpen, geordend in een ketenstructuur.
Jaren later schreef Wilson een brief aan Jung waarin hij hem wees op de belangrijke rol die Jung had gespeeld in de geschiedenis van de AA. In zijn antwoord schreef Jung over zijn patiënt: “Zijn zucht naar alcohol was gelijk, op een lager niveau, aan ons spirituele verlangen van ons wezen naar heelheid, of zoals uitgedrukt in middeleeuws taalgebruik: de vereniging met God.” Jung wees op het feit dat in het Latijn het woord spiritus beide betekenissen bestrijkt – alcohol en het geestelijke. In de zinsnede “spiritus contra spiritum” drukte hij vervolgens zijn overtuiging uit dat alleen een diepe spirituele ervaring mensen kan redden van de ravage die alcohol aanricht. De inzichten van James en Jung zijn sindsdien bevestigd door klinisch onderzoek (Grof 1980).

Behandeling van spirituele noodtoestanden

De psychotherapeutische strategie voor personen die spirituele noodtoestanden doormaken weerspiegelt de principes die we eerder in dit boek besproken hebben. Het is gebaseerd op het besef dat deze bewustzijnstoestanden geen uitingsvormen zijn van een onbekend pathologisch proces, maar het gevolg zijn van een spontane beweging in de psyche die genezend en transformerend potentieel heeft. Een juist begrip en toepasselijke behandeling van spirituele noodtoestanden vergt een ruim geëxpandeerd model van de psyche waarin rekenschap wordt gegeven van de perinatale en transpersoonlijke dimensies.
De vereiste vorm van therapeutische ondersteuning hangt af van de intensiteit van het betrokken psychospirituele proces. In milde vormen is de persoon meestal in staat met de holotrope ervaringen te leven. Alles wat hij of zij nodig heeft is een gelegenheid om het proces te bespreken met een transpersoonlijk georiënteerde therapeut die constructieve feedback geeft en de cliënt helpt de ervaringen in het leven van alledag te integreren.
Als het proces heviger is, zijn regelmatige sessies experiëntiële therapie vereist om het bovenkomen van het onbewuste materiaal en de volledige uitdrukking van emoties en geblokkeerde fysieke energieën te vergemakkelijken. De algemene strategie van deze benadering is identiek aan die welke gebruikt wordt in de holotroop ademwerk sessies. Wanneer de ervaringen erg intens zijn, hoeven we de cliënt enkel aan te moedigen zich aan het proces over te geven. Als we met hevige psychologische weerstand te maken krijgen, zouden we zo nu en dan bevrijdend lichaamswerk kunnen gebruiken zoals in de afsluitperiodes van de ademwerk sessies. Holotroop ademwerk als zodanig is alleen dan geïndiceerd wanneer het natuurlijke ontvouwen van het proces een impasse heeft bereikt.
Deze intense experiëntiële sessies kunnen aangevuld worden met Gestalt therapie, Dora Kalff’s jungiaanse Zandspel-therapie, of lichaamswerk onder begeleiding van een psychologisch ervaren beoefenaar. Een verscheidenheid aan supplementaire technieken kan onder zulke omstandigheden extreem nuttig zijn. Zo kan men een dagboek bijhouden, mandala’s schilderen, expressief dansen, en joggen, zwemmen of aan andere sportieve activiteiten deelnemen. Als de cliënt de aandacht op leesmateriaal kan richten kunnen transpersoonlijk georiënteerde boeken bijzonder nuttig zijn, met name de boeken die zich richten op de problematiek van de psychospirituele crisis of een specifiek aspect van zijn of haar innerlijke ervaringen.
Mensen wier ervaringen zo intens en dramatisch zijn dat ze niet buiten het ziekenhuis behandeld kunnen worden vormen een speciaal probleem. Er bestaan haast geen faciliteiten waar vierentwintig uur per dag toezicht wordt gehouden, zonder gebruik te maken van onderdrukkende psychofarmacologische interventie. In het verleden bestonden er meerdere van dit soort experimentele faciliteiten in Californië, zoals John Perry’s Diabasis in San Fransisco, Chrysalis in San Diego, en Barbara Findeisen’s Pocket Ranch in Geyserville, die allen een kort leven beschoren waren. Het opzetten van zulke alternatieve centra is een noodzakelijke vereiste voor effectieve therapie van spirituele noodtoestanden.
In sommige plaatsen hebben hulpverleners geprobeerd om dit gebrek te overbruggen door teams van getrainde assistenten te creëren die gedurende het verloop van de crisis in ploegendiensten in het huis van de cliënt verblijven. Het managen van intense, acute spirituele noodtoestanden vergt buitengewone maatregelen, of deze nu plaatsvinden in een speciale faciliteit of in iemands eigen huis. Langdurige noodtoestanden kunnen dagen of weken in beslag nemen en gepaard gaan met een hoop fysieke activiteit, intense emoties, verlies van eetlust en slapeloosheid. Hierdoor ontstaat gevaar voor uitdroging, een tekort aan vitamines en mineralen, en uitputting. Onvoldoende aanvoer van voedsel kan tot hypoglycemie leiden, dat de psychologische verdedigingsmechanismen verzwakt waardoor nog meer onbewust materiaal naar boven wordt gebracht. Dit kan leiden tot een vicieuze cirkel die de acute toestand voortzet. Thee met honing, bananen of een andere bron van glucose kan het proces weer in goede banen leiden.
Degenen die de psychospirituele crisis doormaken zijn meestal zo diep verzonken in hun ervaring dat ze niet meer aan eten, drinken of algemene hygiëne denken. De hulpverleners moeten daarom zorgen voor de algemene behoeften van de cliënt. Aangezien de verzorging van mensen die de meest acute spirituele nood-toestanden doormaken bijzonder veel van de verzorgers vergt, moeten deze elkaar vrij regelmatig aflossen om zo hun eigen geestelijke en lichamelijke gezondheid te beschermen. Om onder deze omstandigheden volledige en geïntegreerde zorg te kunnen garanderen, is het noodzakelijk dat een logboek wordt bijgehouden waarin zorgvuldig de inname van voedsel, vloeistoffen en vitamines wordt bijgehouden.
Slaapdeprivatie verzwakt net als vasten de verdedigingsmechanismen en faciliteert het binnenstromen van onbewust materiaal. Dit kan ook tot een vicieuze cirkel leiden die onderbroken moet worden. Het kan daarom noodzakelijk zijn om de cliënt zo nu en dan een licht kalmeringsmiddel te geven om voldoende slaap te waarborgen. In deze context wordt het geven van medicatie enkel gezien als een verzachtende maat-regel en niet, zoals dat gebeurt in de gangbare psychiatrie, als therapie gezien. Het toedienen van lichte kalmerings- of slaapmiddelen onderbreekt de vicieuze cirkel en geeft de cliënt de noodzakelijke rust en energie om de volgende dag verder te gaan met het proces van zelfontdekking.
In de latere stadia van de spirituele noodtoestand, waarin de intensiteit van het proces afneemt, heeft de persoon geen constant toezicht meer nodig. Hij of zij gaat geleidelijk weer met alledaagse activiteiten aan de slag en neemt de verantwoor-delijkheid voor de eigen algemene verzorging weer op zich. De duur van het verblijf in een beschermde omgeving hangt af van de mate van stabilisatie en integratie van het proces. Indien nodig kunnen er zo nu en dan experiëntiële sessies gepland worden en de toepassing van de eerder genoemde complementaire technieken worden aanbevolen. Regelmatige gesprekken over de ervaring en inzichten uit de crisissituatie kunnen bij-dragen aan de integratie van de noodtoestand.
Bij de behandeling van alcoholisme en drugsverslaving spelen enkele specifieke problemen een rol die los van de andere spirituele noodtoestanden besproken moeten worden. Het zijn met name het element van fysiologische verslaving en de progressieve aard van de stoornis die speciale maatregelen vergen. Voordat gewerkt kan worden aan de psychologische problemen die ten grondslag liggen aan de verslaving, is het noodzakelijk de chemische cyclus die het gebruik van de substanties voortzet te doorbreken. De persoon moet in een speciaal voor dat doeleinde bestemd verblijf een periode van onthouding en detoxificatie doormaken.
Wanneer dit eenmaal volbracht is, kan de focus gericht worden op de psychospirituele wortels van het probleem. Zoals we hebben gezien, zijn alcoholisme en drugsverslaving een misleidde zoektocht naar transcendentie. Wil het therapeutische programma dus succesvol zijn, dan moet een sterke nadruk op de spirituele dimensie van het probleem er een integraal onderdeel van uitmaken. Het meest succesvol in het bestrijden van verslaving waren tot nu toe Alcoholics Anonymous (AA) en Narcotics Anonymous (NA), genootschappen die een uitgebreide benadering bieden, gebaseerd op de Twaalf Stappen filosofie van Bill Wilson.
Door het programma stap voor stap te volgen, zien de alcoholisten of drugsverslaafden in dat ze de controle over hun levens verloren hebben en machteloos zijn geworden. Ze worden aangemoedigd zich over te geven aan een in hun ogen hogere macht. Een pijnlijke terugblik op hun persoonlijke historie geeft hen een inventarisatie van hun wangedrag. Dit vormt de basis voor het corrigeren van hun relaties met al de mensen die het slachtoffer zijn geworden van hun verslaving. Zij die zich van hun verslaving hebben bevrijd worden vervolgens aangemoedigd de boodschap op andere verslaafden over te dragen en hen te helpen bij het beëindigen van hun gebruik.
De Twaalf Stappen programma’s zijn ongeëvenaard in het bieden van steun en begeleiding voor alcoholisten en verslaafden – zowel tijdens het begin van hun behandeling als gedurende de jaren van nuchterheid en herstel. Aangezien dit boek zich richt op het genezend potentieel van holotrope bewustzijnstoestanden zullen we nu onderzoeken of en op welke manier deze nuttig kunnen zijn in de behandeling van verslaving. Dit vraagstuk is nauw gerelateerd aan de Elfde Stap die nadruk legt op het belang “door middel van gebed en meditatie ons bewuste contact met God zoals wij Hem zien te verbeteren.” Aangezien holotrope bewustzijnstoestanden mystieke ervaringen mogelijk maken, passen ze duidelijk in deze categorie.
Door de jaren heen heb ik veel ervaring opgedaan met het toepassen van holotrope bewustzijnstoestanden ter behandeling van alcoholisme en drugsverslaving, en heb ik ook veel gewerkt met herstellende mensen die ze benutten om de kwaliteit van hun nuchtere leven te verbeteren. Ik maakte deel uit van een team aan de Maryland Psychiatric Research Center in Baltimore dat een uitvoerig, gecontroleerd onderzoek deed naar de toepassing van psychedelische therapie bij alcoholisten en drugs-verslaafden (Grof 1980). In de context van onze workshops heb ik ook de gelegenheid gehad om getuige te zijn van het effect van seriële holotroop ademwerk sessies op herstellende mensen. Ik zal eerst mijn eigen observaties en ervaringen op dit gebied delen en daarna de betrokken problemen bespreken in de ruimere context van de Twaalf Stappen beweging.
Wat ik ervaren heb, is dat het uiterst onwaarschijnlijk is dat holotroop ademwerk dan wel psychedelische therapie alcoholisten en verslaafden kan helpen als ze nog actief gebruiken. Zelfs diepe en betekenisvolle ervaringen blijken niet het vermogen te hebben de chemische cyclus te doorbreken. Therapeutisch werk met holotrope bewustzijnstoestanden moet pas aangevangen worden nadat de alcoholisten en verslaafden het proces van detoxificatie doorgemaakt hebben, de ontwennings-verschijnselen achter zich hebben gelaten en een nuchtere toestand hebben bereikt. Alleen dan kunnen ze hun voordeel doen met holotrope ervaringen en werken aan de diepgewortelde psychologische problemen die aan hun verslaving ten grondslag liggen. In dit stadium kunnen holotrope bewustzijnstoestanden hen zeer goed helpen om traumatische herinneringen onder ogen te zien, de hieraan verbonden zware emoties te verwerken en waardevolle inzichten te verkrijgen inzake de psychologische wortels van hun misbruik.
Holotrope ervaringen kunnen ook helpen bij het proces van psychospirituele dood en wedergeboorte dat bekend staat als “de bodem raken” en een belangrijk omslagpunt is in het leven van vele alcoholisten en verslaafden. De ervaring van egodood vindt in dit geval echter plaats in een beschermde omgeving waar het niet de gevaarlijke fysieke, interpersoonlijke en sociale consequenties heeft die wel een rol spelen wanneer dit proces spontaan plaatsvindt in de gebruikelijke omgeving van de cliënt. Holotrope bewustzijnstoestanden kunnen ook experiëntiële toegang verschaffen tot de diepgaande spirituele ervaringen waar de alcoholist of verslaafde werkelijk naar verlangt, en het minder waarschijnlijk maken dat hij of zij op zoek gaat naar minder fortuinlijke substituten in de vorm van alcohol of verdovende middelen.
De programma’s van psychedelische therapie voor alcoholisten en verslaafden, uitgevoerd aan het Maryland Psychiatric Research Center, waren zeer succesvol, on-danks het feit dat het onderzoeksprotocol het maximale aantal psychedelische sessies beperkte tot drie per persoon. Bij een controle na zes maanden bleek dat de helft van de chronische alcoholisten en een derde van de drugsverslaafden nog steeds nuchter waren en volgens een onafhankelijk evaluatieteam “in principe genezen” was (Pahnke et al. 1970, Savage en McCabe 1971, Grof 1980). Vrijwel alle herstellende personen in onze training en workshops zien holotroop ademwerk als een manier om de kwaliteit van het nuchtere leven te verbeteren en hun psychospirituele groei te ondersteunen.
Ondanks hun bewezen gunstige effecten werd de toepassing van holotrope bewustzijnstoestanden flink tegengewerkt door sommige conservatieve leden van de Twaalf Stappen beweging. Deze mensen stellen dat alcoholisten en verslaafden die wat voor “high” dan ook nastreven een “terugval” ervaren. Ze vellen dit oordeel niet alleen wanneer de holotrope bewustzijnstoestand opgewekt wordt door psychedelische substanties, maar ook wanneer er sprake is van experiëntiële vormen van psychotherapie en zelfs meditatie, terwijl die benadering juist expliciet genoemd wordt in de beschrijving van de Elfde Stap.
Het is waarschijnlijk dat deze extremistische houding haar wortels heeft in de historie van de AA. Bill Wilson, de mede-oprichter van de AA, nam na twintig jaar nuchter te zijn geweest deel aan een psychedelisch programma en onderging meerdere LSD sessies. Hij beschouwde deze ervaringen als zeer nuttig en deed zijn best om begeleide psychedelische sessies in het programma van Alcoholics Anonymous te inte-greren. Dit veroorzaakte grote onrust in de beweging en werd uiteindelijk verworpen.
We hebben hier te maken met twee tegenstrijdige perspectieven op de relatie tussen holotrope bewustzijnstoestanden en verslaving. Vanuit het ene perspectief is voor een verslaafde elke poging om de alledaagse bewustzijnstoestand te verlaten onaccep-tabel en dient gezien te worden als een terugval. Het tegenovergestelde oogpunt is gebaseerd op het idee dat het streven naar een spirituele bewustzijnstoestand een legitieme en natuurlijke neiging van de mens is en dat het streven naar transcendentie de krachtigste motivatie in de psyche is (Weil 1972). Verslaving is vanuit dit perspectief een misleidde en vervormde uitingsvorm van dit streven en de meest effectieve remedie hiervoor is het verschaffen van toegang tot een waarachtige ervaring van het goddelijke.
De toekomst zal bepalen welke van deze twee benaderingen door hulpverleners en de ex-verslaafden geaccepteerd zal worden. Naar mijn mening zou de meest veelbelovende ontwikkeling in de behandeling van alcoholisme en drugsmisbruik een samenkomst zijn van het Twaalf Stappen programma (de meest effectieve methode voor het behandelen van alcoholisme en verslaving) en transpersoonlijke psychologie (dat het een solide theoretische achtergrond voor spiritueel gegronde therapie kan verschaffen). Verantwoordelijke toepassing van holotrope therapie zou een zeer logisch integraal onderdeel van zo’n uitgebreide behandeling zijn.
Mijn vrouw en ik organiseerden in de jaren tachtig twee bijeenkomsten van de International Transpersonal Association (ITA) in Eugene, Oregon en Atlanta, waar werd aangetoond dat het mogelijk en nuttig is om het Twaalf Stappen programma met transpersoonlijke psychologie te combineren. De op ervaring gebaseerde en theoretische rechtvaardiging voor zo’n combinatie werd in diverse publicaties besproken (Grof 1987, Grof 1993, Sparks 1993).
Het concept van “spirituele noodtoestand” is nieuw en zal in de toekomst ongetwijfeld nog uitgebreid en verfijnd worden. Desalniettemin hebben we herhaaldelijk gezien dat zelfs in haar huidige vorm, zoals gedefinieerd door Christina en ik, het vele personen door een transformatiecrisis heen heeft geholpen. We hebben gezien dat wanneer deze bewustzijnstoestanden met respect behandeld worden en de juiste ondersteuning ontvangen, ze kunnen resulteren in opmerkelijke genezing, diepe positieve transformatie en een hoger niveau van functioneren in het leven van alledag. Dit gebeurde onregelmatig, ondanks het feit dat in de huidige situatie de omstandigheden voor het behandelen van mensen in een psychospirituele crisis verre van ideaal zijn.
Indien begeleiders van spirituele noodtoestanden in de toekomst een netwerk van vierentwintig uurs centra tot hun beschikking krijgen, voor die mensen wier ervaringen zo intens zijn dat ze niet thuis behandeld kunnen worden, zou het succes van deze benadering enorm kunnen toenemen. Op dit moment zijn de afwezigheid van zulke voorzieningen en gebrek aan steun van de verzekeringsmaatschappijen voor niet-conventionele behandelmethoden twee belangrijke obstakels die effectieve toepassing van de nieuwe therapeutische strategieën in de weg staan.

Photobucket

Wat alle traditionele leerscholen van de psychotherapie gemeen hebben, is het streven te doorgronden hoe de psyche functioneert, waarom de symptomen zich ontwikkelen, en wat ze betekenen. Deze theoretische kennis wordt dan gebruikt om een techniek te ontwikkelen die de therapeut toepast in zijn of haar interactie met de cliënt teneinde afwijkende psychodynamische processen te corrigeren. Hoewel de medewerking van de cliënt een essentieel deel uitmaakt van het therapeutische proces, is het de therapeut die gezien wordt als de actieve bemiddelaar en de bron van kennis die vereist is voor een succesvolle uitkomst.
Hoewel deze benadering zelden door theoretici en beoefenaars in twijfel wordt getrokken, heeft het enkele ernstige tekortkomingen. De psychotherapeutische wereld heeft zich gefragmenteerd in vele leerscholen die het met elkaar oneens zijn over de meest fundamentele theoretische zaken en wat de beste therapeutische maatregelen zijn. Dit geldt niet alleen voor behandelmethodes die gebaseerd zijn op per definitie onrijmbare filosofische en wetenschappelijke aannames, zoals de deconditionering van de behavioristen en de psychoanalyse, maar ook voor de meeste stromingen binnen de dieptepsychologie die op Freud’s oorspronkelijke werk zijn gebaseerd. De leerscholen zijn het beduidend oneens wat de motiverende krachten van de psyche betreft en de factoren die verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling van psychopathologie. Het gevolg hiervan is dat ze verschillende meningen hebben over wat de beste psychotherapeutische strategie is en wat de meest effectieve therapeutische interventies zijn.
Onder deze omstandigheden zijn de activiteiten en interventies van de therapeut onherroepelijk willekeurig, aangezien ze beïnvloed worden door zijn of haar algemene onderricht en persoonlijke levensvisie. Het algemene beginsel van holotrope therapie is dat symptomen van emotionele en psychosomatische stoornissen een manier zijn waarop het organisme zichzelf probeert te bevrijden van oude traumatische indrukken, zichzelf wil genezen en zijn functioneren wil vereenvoudigen. Ze zijn niet enkel een last en levensprobleem, maar ook een bijzondere kans. Effectieve therapie bestaat uit tijdelijke activering en versterking van de symptomen, die daarop verdwijnen. De begeleider ondersteunt simpelweg het proces dat spontaan in beweging is gezet.
Dit is een principe dat holotrope therapie deelt met de homeopathie. Een homeopathische therapeut heeft als taak op zoek te gaan naar de remedie die in gezonde personen tijdens de zogenaamde proving de symptomen produceert die de cliënt tentoonspreidt (Vithoulkas 1980). De holotrope bewustzijnstoestand functioneert als een universeel homeopathisch medicijn in die zin dat het bestaande symptomen activeert en sluimerende symptomen naar buiten brengt.
Ik heb eerder de “radarfunctie” beschreven die in holotrope bewustzijnstoestanden werkzaam is en automatisch die onbewuste inhoud naar boven brengt die een sterke emotionele lading heeft en het meest direct beschikbaar is voor verwerking. Dit is een extreem nuttig en belangrijk mechanisme die de therapeut de onmogelijke taak bespaart van het bepalen wat de daadwerkelijk relevante aspecten zijn van het materiaal dat door de cliënt aangedragen wordt.
Het is in deze context goed om iets te zeggen over de houding tegenover symptomen binnen de gangbare psychiatrie. Beïnvloed door het medische model dat het psychiatrisch gedachtegoed domineert, zien psychiaters de intensiteit van symptomen meestal als een indicatie van de ernst van de emotionele en psychosomatische stoornissen. Versterking van de symptomen wordt dus gezien als een “verslechtering” van de klinische toestand en verzachting van de symptomen als “verbetering”.
Dit is de algemene gang van zaken in het klinische werk van alledag, ondanks het feit dat het in strijd is met de ervaringen uit dynamische psychiatrie. In de loop van systematische psychotherapie wijst versterking van symptomen op het bovenkomen van belangrijk onbewust materiaal en luidt meestal belangrijke vooruitgang van het therapeutische proces in. Het is ook bekend dat acute en dramatische emotionele toestanden met een scala aan symptomen meestal een veel betere klinische prognose hebben dan langzaam en verraderlijk ontwikkelende condities met minder opvallende symptomen. Het verwarren van de ernst van de conditie met de intensiteit van de symptomen, evenals enkele andere factoren zoals economische overwegingen, de werk-druk die de meeste psychiaters ervaren, en het gemak van farmacologische interventies, is verantwoordelijk voor het feit dat de meeste psychiatrische therapieën zich bijna geheel richten op het onderdrukken van symptomen.
Hoewel deze gang van zaken de invloed van het medische model op de psychiatrie weerspiegelt, zou zo’n exclusieve focus op de onderdrukking van symptomen binnen de somatische geneeskunst gezien worden als onzorgvuldig medisch handelen. In de behandeling van fysieke ziektes wordt symptoombestrijdende therapie alleen toegepast als er tegelijkertijd maatregelen worden genomen om iets aan de onderlig-gende oorzaak te doen. Zo is het omwikkelen met ijs en het geven van aspirine aan een patiënt met hoge koorts, zonder de etiologie van de verhoging te bepalen, geen acceptabel medisch handelen. De enige uitzondering op deze regel vormt de therapie van ongeneeslijke ziektes, dat zich tot symptoombestrijding beperkt omdat er geen oorzakelijke behandeling bekend is.
In een van zijn lezingen uit de jaren zeventig gebruikte Fritjof Capra een interessante vergelijking om duidelijk te maken wat een vergissing het is om de aandacht op symptomen te richten in plaats van op het onderliggende probleem. Stel je voor dat je in een auto rijdt en er op je dashboard opeens een rood lampje gaat branden. Dit lampje geeft feitelijk aan dat je oliepeil gevaarlijk laag is. Je bent niet bekend met hoe de auto werkt, maar je weet wel dat een rood lampje op het dashboard op problemen wijst. Je brengt je auto naar een garage en legt aan de monteur uit wat er aan de hand is. De monteur neemt een kijkje en zegt: “Rood licht? Fluitje van een cent!” Hij haalt de bedrading tevoorschijn en trekt deze er uit. Het rode lichtje gaat uit en hij stuurt je weer de weg op.
We zouden weinig waardering hebben voor een monteur die een dergelijke “oplossing” zou aandragen. We zouden een interventie verwachten die het probleem zou verhelpen en het signaleringssysteem intact zou laten. Op dezelfde manier is het doel van ware psychotherapie het bereiken van een situatie waarin de symptomen niet meer verschijnen omdat ze geen reden meer hebben om te verschijnen, niet een situatie waarin ze niet kunnen verschijnen omdat het signaleringssysteem is uitgeschakeld.
Dit is een oplossing waar de holotrope strategie van therapie naar streeft. Wanneer we volledige beleving van het materiaal dat aan de symptomen ten grondslag ligt aanmoedigen, mogelijk maken en ondersteunen, bereikt het proces wat het organisme probeerde te bereiken – bevrijding van traumatische indrukken en de hieraan verbonden opgekropte emotionele en lichamelijke energieën. Zoals we zagen in het hoofdstuk over spirituele noodtoestanden, heeft deze kijk op het therapeutische proces niet alleen betrekking op neuroses en psychosomatische stoornissen, maar ook op vele aandoeningen die academisch geschoolde psychiaters als psychotisch diagnosticeren en zien als uitingen van een ernstige geestelijke ziekte.
Het onvermogen om het genezende potentieel van zulke extreme bewustzijnstoestanden te herkennen weerspiegelt het begrensde conceptuele raamwerk van de Westerse psychiatrie dat zich beperkt tot postnatale biografie en het individuele onbewuste. Ervaringen waarvoor dit begrensde conceptuele raamwerk geen logische verklaring heeft, worden dan toegeschreven aan een pathologisch proces van onbekende origine. De uitgebreide cartografie van de psyche die rekenschap geeft van de perinatale en transpersoonlijke gebieden levert een natuurlijke verklaring voor de intensiteit en inhoud van zulke extreme bewustzijnstoestanden.
Een ander belangrijk uitgangspunt van holotrope therapie is dat de doorsnee mens in onze samenleving op een manier functioneert die ver onder zijn of haar werkelijke potentieel en capaciteit ligt. Deze verarming is het gevolg van het feit dat hij of zij zich met slechts een klein deel van zijn of haar wezen identificeert, namelijk het fysieke lichaam en het ego. Deze foutieve identificatie leidt tot een niet-authentieke, ongezonde en onbevredigende levenswijze en draagt bij aan de ontwikkeling van emotionele en psychosomatische stoornissen van psychologische origine. Het verschijnen van verve-lende symptomen die geen lichamelijke basis hebben kan gezien worden als een aanwijzing dat de persoon die op basis van foutieve veronderstellingen functioneert een punt heeft bereikt waarop het duidelijk is geworden dat de oude manier van leven niet langer werkt en onhoudbaar is geworden.
Wanneer duidelijk wordt dat de op de externe wereld gerichte focus gefaald heeft, trekt de persoon zich in psychologisch opzicht terug in zijn of haar innerlijke wereld, waarop emotioneel beladen materiaal uit het onbewuste in het bewustzijn begint te verschijnen. Deze invasie van verontrustend materiaal begint de persoon te hinderen in het leven van alledag. Zo’n instorting kan plaatsvinden in een beperkt levensgebied – zoals het huwelijk en seksleven, het werk, of het nastreven van persoonlijke ambities – of tegelijkertijd alle aspecten van iemands leven treffen.
De reikwijdte en diepte van de instorting zijn afhankelijk van de timing van belangrijke trauma’s die de persoon in zijn zuigelingenperiode en kindertijd te verduren had; zij bepalen of het proces neurotische of psychotische proporties aanneemt. Trau-matisering in latere stadia van het postnatale leven kan iemand vastbaar maken voor een neurotische instorting, die slechts bepaalde delen van iemands interpersoonlijke en sociale functioneren treft. Een proces dat psychotische proporties aanneemt beslaat alle levensgebieden; het wijst meestal op ernstige verstoringen in de vroege stadia van de zuigelingenperiode.
De resulterende situatie vertegenwoordigt een crisis of zelfs een noodtoestand, maar ook een unieke kans. Het belangrijkste doel van holotrope therapie is het ondersteunen van de onbewuste activiteit en het zelfs verder te mobiliseren en de herinneringen aan onderdrukte en vergeten trauma’s volledig in het bewustzijn te laten verschijnen. In de loop van dit proces wordt de energie die in emotionele en psychosomatische symptomen opgeslagen zit bevrijd en ontladen, en worden sympto-men omgezet in een stroom ervaringen. De inhoud van deze ervaringen kan betrokken worden uit elk niveau van de psyche – biografisch, perinataal en transpersoonlijk.
In holotrope therapie is de taak van de begeleider of therapeut het experiëntiële proces te ondersteunen, vol vertrouwen in de genezende aard ervan, zonder te proberen dit een bepaalde richting in te sturen of te veranderen. Het proces wordt geleid door de innerlijke genezingsintelligentie van de cliënt zelf. De term therapeut wordt gebruikt in de betekenis van het Griekse therapeutes, dat verwijst naar de persoon die het genezingsproces assisteert, niet een actieve partij wiens taak het is “de cliënt op te lappen.” Het is belangrijk dat de therapeut het experiëntiële ontvouwen ondersteunt, zelfs als hij of zij het niet rationeel kan volgen.
Sommige sterk genezende en transformerende ervaringen hebben helemaal geen inhoud; ze bestaan uit opeenvolgingen van intense versterking van emoties of lichamelijke spanningen, gevolgd door diepe ontlading en ontspanning. Veelvuldig komen de inzichten en specifieke inhoud pas later in het proces naar boven, of zelfs pas in volgende sessies. In sommige gevallen vindt de oplossing van de problematiek plaats op het biografische niveau, in andere gevallen in relatie tot perinataal materiaal of transpersoonlijke thema’s. Dramatische genezing en blijvende persoonlijkheidstransformatie zijn veelvuldig het gevolg van ervaringen die het rationele begrip geheel voorbijgaan.
De krachtigste techniek om holotrope bewustzijnstoestanden op te wekken is zonder enige twijfel de toepassing van psychedelische planten of substanties. Op dit moment zijn er maar enkele officiële onderzoeksprojecten met deze substanties gaande, en psychedelische therapie is nergens ter wereld algemeen beschikbaar. Ik zal me daarom nu richten op een benadering waarbij holotrope bewustzijnstoestanden opgewekt worden door niet-farmacologische methodes, een techniek die niet verstrengeld is met ingewikkelde politieke, administratieve en wettelijke problematiek.
 Theorie en praktijk van holotroop ademwerk (Holotropic Breathwork)
In de afgelopen twintig jaar hebben mijn vrouw Christina en ik een benadering van therapie en zelfontdekking ontwikkeld die we “holotroop ademwerk” noemen. Het wekt krachtige holotrope bewustzijnstoestanden op met behulp van zeer eenvoudige middelen – versnelde ademhaling, evocatieve muziek, en een techniek van lichaamswerk die resterende bio-energetische en emotionele blokkades helpt bevrijden. Zowel in de theorie als de praktijk brengt deze methode allerlei elementen uit archaïsche en inheemse tradities, Oosterse spiritualiteit en Westerse dieptepsychologie samen.

De genezende kracht van de ademhaling

Het gebruik van ademhalingstechnieken voor religieuze en genezende doeleinden kan teruggevoerd worden tot de bakermat van de menselijke historie. In de kosmologie, mythologie en filosofie van archaïsche en pre-industriële samenlevingen speelden de adem en de ademhaling een zeer belangrijke rol, en waren een belangrijk gereedschap in rituele en spirituele oefeningen. Sinds de vroegste geschiedenis hebben vrijwel alle grote psychospirituele systemen de ademhaling gezien als een cruciale verbinding tussen lichaam, geest en ziel. Dit is duidelijk af te leiden uit de woorden die in vele talen voor adem gebruikt worden.
In de oude Indiase literatuur stond de term prana niet alleen voor de fysieke adem en lucht, maar ook voor de heilige levensessentie. Op dezelfde manier staat in de traditionele Chinese geneeskunde het woord chi voor zowel de kosmische essentie en levensenergie als de natuurlijke lucht die we met onze longen inademen. In Japan is het corresponderende woord ki. Ki speelt een buitengewoon belangrijke rol in Japanse vechtkunsten en spirituele oefeningen. In het oude Griekenland betekende het woord pneuma zowel lucht als de ziel. De Grieken zagen de adem ook als nauw gerelateerd aan de psyche. De term phren werd gebruikt voor zowel het diafragma, de grootste spier die bij de ademhaling betrokken is, als de geest (zoals we zien in de term schizofrenie – “gespleten geest”). In de oude Hebreeuwse traditie stond het woord ruach voor zowel de ademhaling als de scheppende geest, die als een en dezelfde werden gezien. In het Latijn werd hetzelfde woord gebruikt voor adem en geest – spiritus. Ook in de Slavische talen hebben geest en ademhaling dezelfde linguïstische wortel.
Het staat al eeuwen bekend dat het mogelijk is om het bewustzijn te beïnvloeden met behulp van technieken waarbij de ademhaling een belangrijke rol speelde. De procedures die voor dit doeleinde gebruikt werden door archaïsche en niet-westerse culturen betrekken een breed spectrum: van drastische onderbrekingen van de ademhaling tot de subtiele en verfijnde oefeningen van diverse spirituele tradities. Bij de oorspronkelijke, door de Essenen beoefende vorm van dopen werd de ingewijde langere tijd onder water gehouden. Dit resulteerde in een krachtige ervaring van dood en wedergeboorte. In andere samenlevingen liet men de novicen bijna stikken door rook, wurging of het dichtknijpen van de carotid aderen.
Diepgaande veranderingen in het bewustzijn kunnen geïnduceerd worden door beide extremen in het ademtempo – hyperventilatie of het langdurig inhouden van de adem, evenals een afwisseling van beide. Zeer verfijnde en ontwikkelde methoden treffen we aan in de Indiase wetenschap van het ademen, de pranayama. Specifieke technieken waarbij intens ademhalen of het inhouden van de adem een rol spelen maken ook deel uit van allerlei oefeningen in de kundalini yoga, siddha yoga, het Tibetaanse vajrayana, soefi-oefeningen, Burmees boeddhistische en taoïstische meditatie, en vele andere.
Subtielere technieken die het aandachtig volgen van de ademhaling benadrukken, in plaats van het beïnvloeden van de dynamiek ervan, spelen een belangrijke rol in het soto zen boeddhisme (shikan taza) en bepaalde taoïstische en christelijke oefeningen. De diepte en het ritme van het ademen wordt sterk beïnvloed door zulke artistieke rituelen als de Balinese apen chant, de keelzang van de Inuit eskimo’s, en het zingen van kirtans, bhajans of soefi liederen.
In de materialistische wetenschap verloor de ademhaling haar heilige betekenis en werd ontdaan van haar connectie met de psyche en de ziel. De Westerse geneeskunst reduceerde het tot een belangrijke fysiologische functie. De fysieke en psychologische verschijnselen die allerlei ademhalingstechnieken vergezellen werden allen ziekelijk verklaard. De psychosomatische reactie op sneller ademhalen, het zogenaamde hyperventilatie-syndroom, wordt een pathologische aandoening beschouwd, in plaats van wat het werkelijk is, namelijk een proces dat enorm genezend kan werken. Wanneer hyperventilatie spontaan optreedt, wordt het normaal gesproken onderdrukt door de toediening van kalmeringsmiddelen, door intraveneuze injecties calcium, en door de persoon in een papieren zak te laten ademen om de hoeveelheid kooldioxide te laten toenemen en de door het snellere ademen veroorzaakte alkalosis tegen te gaan.
In de afgelopen vijftig jaar hebben Westerse therapeuten het genezend potentieel van de ademhaling herontdekt en technieken ontwikkeld om dit aan te wenden. In de context van onze maand lange seminars aan het Esalen Institute in Big Sur hebben wij zelf geëxperimenteerd met verschillende benaderingen waarbij de ademhaling een belangrijke rol speelde. Zo waren er ademhalingsoefeningen uit oude spirituele tradities onder begeleiding van Indiase en Tibetaanse leermeesters en technieken ontwikkeld door Westerse therapeuten. Elk van deze benaderingen legde een specifieke nadruk op de ademhaling en maakte er op een andere manier gebruik van. In de loop van onze zoektocht naar een effectieve methode om het genezend potentieel van ademhaling aan te wenden, probeerden we dit proces zoveel mogelijk te vereen-voudigen.
We kwamen tot de conclusie dat het voldoende is om sneller en intensiever dan gewoonlijk te ademen. In plaats van een bepaalde ademhalingstechniek te benadrukken, volgen we zelfs op dit gebied de algemene strategie van holotrope therapie, namelijk vertrouwen op de intrinsieke wijsheid van het lichaam en zich laten leiden door innerlijke aanwijzingen. In holotroop ademwerk moedigen we mensen tijdens de beginfase van de sessie aan sneller en iets dieper te gaan ademhalen, waarbij de inademing en de uitademing een ononderbroken cyclus vormen. Eenmaal in het proces vinden ze hun eigen ritme and manier van ademhalen.
We konden keer op keer Wilhelm Reich’s observatie bevestigen dat psychologische weerstanden en verdedigingsmechanismen verbonden zijn aan ingehouden ademhaling (Reich 1961). Ademhaling is een autonome functie, maar kan door de wil beïnvloed worden. Doelbewuste versnelling van de ademhaling maakt psychologische afweermechanismen los en leidt tot een ontlading en bovenkomen van onbewust (en superbewust) materiaal. Het is moeilijk om op louter theoretische grond de kracht en efficiëntie van deze techniek in te schatten. Hiervoor dient men persoonlijk getuige te zijn van het proces of het zelf te beleven.

Het genezend potentieel van muziek

In holotroop ademwerk wordt het bewustzijnsveranderende effect van de ademhaling gecombineerd met evocatieve muziek. Net als ademhaling worden muziek en andere vormen van geluidstechnologie al duizenden jaren aangewend in rituele en spirituele oefeningen. Sinds onheuglijke tijden behoren monotoon drummen, chanten en andere technieken waarbij geluid geproduceerd wordt tot het belangrijkste gereedschap van sjamanen uit alle werelddelen. Vele pre-industriële samenlevingen hebben onafhan-kelijk van elkaar drumritmes ontwikkeld die in gecontroleerde experimenten een opmerkelijk effect op de elektrische activiteit van de hersenen bleken te hebben (Jilek 1974; Neher 1961 en 1962). De archieven van culturele antropologen bevatten talloze voorbeelden van effectieve trance-opwekkende methodes waarbij instrumentale muziek, chanten en dansen worden gecombineerd.
In vele culturen werd geluidstechnologie in de context van ingewikkelde ceremonies specifiek voor genezing toegepast. De Navajo genezingsrituelen, uitgevoerd door getrainde zangers, hebben een verbazingwekkende complexiteit die eens verge-leken is met de bladmuziek van Wagnerse opera’s. De trance-dans van de !Kung bosjesmannen van de Afrikaanse Kalahari woestijn kan buitengewoon genezend werken, zoals gedocumenteerd in vele antropologische onderzoeken en films (Lee en DeVore 1976; Katz 1976). Het genezingspotentieel van de syncretistische rituelen uit het Caribisch gebied en Zuid-Amerika, zoals de Cubaanse santeria of Braziliaanse umbanda wordt in deze landen erkend door vele medici met een traditionele Westerse opleiding. Opmerkelijke voorvallen van geestelijke en psychosomatische genezing vinden plaats tijdens bijeenkomsten van christelijke groepen die gebruik maken van muziek, zang en dans, zoals de Snake Handlers, of de Holy Ghost People, en de revivalists of leden van de Pentacostal Church.
Sommige spirituele tradities hebben geluidstechnologieën ontwikkeld die niet alleen een algemene trancetoestand opwekken, maar een specifiek effect op het bewustzijn hebben. Hiertoe behoren bovenal het Tibetaanse multivocale chanten, de heilige liederen van de soefi’s, de bhajans en kirtans van de hindoe’s, en de oude kunst van nada yoga of het pad van eenwording door geluid. Het Indiase onderricht gaat uit van een specifiek verband tussen geluiden van bepaalde frequenties en de individuele chakra’s. Door middel van systematische toepassing van deze kennis is het mogelijk de bewustzijnstoestand in een voorspelbare en gewenste manier te beïnvloeden. Dit zijn maar enkele voorbeelden van de wijdverbreide toepassing van muziek voor rituele, genezende en spirituele doeleinden.
In onze beoefening van psychedelische therapie aan het Maryland Psychiatric Research Center in Baltimore maakten we systematisch gebruik van muziek en hebben we veel geleerd over het nut ervan voor psychotherapie. Zorgvuldig uitgezochte muziek is vooral waardevol in holotrope bewustzijnstoestanden, waarin het twee doeleinden vervult. Het mobiliseert de aan onderdrukte herinneringen verbonden emoties, brengt ze naar boven en faciliteert de uitdrukking ervan. Het helpt de deur van het onbewuste te openen, het intensiveert en verdiept het therapeutische proces, en verschaft een betekenisvolle context voor de ervaring. De voortdurende stroom van muzikale klanken creëert een staande golf die de ademer door moeilijke ervaringen en impasses heen helpt, steunt in het overwinnen van psychologische afweermechanismen, en aanmoe-digt zich over te geven en zich te laten meevoeren. In holotroop ademwerk sessies, die meestal uitgevoerd worden in groepsverband, heeft muziek nog een aanvullende functie: het maskeert de geluiden die door andere deelnemers gemaakt worden en weeft ze samen in een dynamisch esthetisch gestalt.
Om muziek aan te wenden als katalysator voor diepe zelfverkenning en experiëntieel werk is het noodzakelijk om naar muziek te luisteren op een manier die afwijkt van hoe we dat in onze cultuur doen. In het Westen gebruiken we muziek vaak als akoestische achtergrond die weinig emotionele relevantie heeft. Typische voor-beelden hiervan zijn popmuziek tijdens cocktail parties of achtergrondmuziek (muzak) in verkoopruimtes en op de werkvloer. Een benadering die karakteristiek is voor meer ontwikkeld publiek is het gedisciplineerde en geïntellectualiseerde beluisteren van muziek in theaters en concertzalen. De dynamische en hartstochtelijke manier waarop muziek wordt gebruikt tijdens rockconcerten komt dichter in de buurt van hoe muziek toegepast wordt in holotrope therapie. Bij rockconcerten is de aandacht echter naar buiten gericht en de ervaring mist een element die essentieel is voor holotrope therapie of zelfverkenning – ononderbroken, geconcentreerde introspectie.
In holotrope therapie is het van essentieel belang dat men zich volledig met de stroom van muziek mee laat voeren, het hele lichaam ermee laat resoneren, en erop reageert op een spontane en hartstochtelijke manier. Hiertoe behoren uitingen die ondenkbaar zouden zijn in een concertzaal, waar zelfs huilen of kuchen een bron voor gene kunnen vormen. In holotrope therapie moet men volledig uitdrukking geven aan wat de muziek ook maar naar boven brengt, of dit nu luid schreeuwen of lachen is, het gebrabbel van een baby, dierengeluiden, sjamanistische zang of spreken in vreemde talen. Het is ook belangrijk dat men zich niet verzet tegen fysieke impulsen, zoals bizarre gelaatsuitdrukkingen, sensuele bewegingen van het bekken, wild beven of intense kronkelingen van het hele lichaam. Uiteraard zijn er uitzonderingen op deze regel; destructief gedrag gericht op zichzelf, anderen of de fysieke omgeving zijn niet toegestaan.
We moedigen deelnemers ook aan om alle intellectuele activiteit te staken, zoals proberen te raden wie de componist van de muziek is of uit welke cultuur de muziek afkomstig is. Andere manieren waarop mensen de emotionele impact van muziek soms vermijden is het tentoonspreiden van professionele expertise – de kwaliteit van het orkest beoordelen, raden welke instrumenten te horen zijn, en kritiek uiten op de technische kwaliteit van de muziekapparatuur in de behandelruimte. Als we deze val-kuilen weten te omzeilen, kan muziek een zeer krachtig gereedschap vormen voor het opwekken en ondersteunen van holotrope bewustzijnstoestanden. Voor dit doeleinde moet de muziek van een superieure technische kwaliteit zijn en hard genoeg staan om de ervaring voort te drijven. De combinatie van muziek en sneller ademhalen heeft een opmerkelijk bewustzijnsveranderend vermogen.
Wat de muziekkeuze betreft, zal ik hier de algemene principes uiteenzetten en een aantal suggesties doen op basis van onze eigen ervaring. Na enige tijd ontwikkelt elke therapeut een lijst van zijn of haar favoriete muziekstukken voor de verschillende stadia van de sessies. De algemene regel is dat de therapeut zich afstemt op de fase, intensiteit en inhoud van de ervaringen van de deelnemers, in plaats van te proberen deze te programmeren. Dit is in overeenstemming met de algemene filosofie van holotrope therapie, met name het diepe respect voor de wijsheid van de innerlijke genezer, voor het collectieve onbewuste, en voor de autonomie en spontaniteit van het genezingsproces.
Het is belangrijk dat er gebruik gemaakt wordt van muziek die krachtig, evocatief en bevorderlijk is voor een positieve ervaring. We proberen muziekstukken te vermijden die vals klinken, dissonant zijn en verontrustend werken. De voorkeur gaat uit naar muziek die van een hoge artistieke kwaliteit is, niet algemeen bekend is en zo min mogelijk concrete inhoud heeft. Men kan beter geen muziek en vocale stukken draaien in talen die de deelnemers kennen, omdat de verbale inhoud hiervan een bepaalde boodschap overdraagt of specifiek thema suggereert. Wanneer vocale composities gebruikt worden, moeten ze in een vreemde taal uitgevoerd zijn, zodat de menselijke stem uitsluitend als een van de muzikale instrumenten ervaren wordt. Om dezelfde reden is het beter als de stukken geen specifieke intellectuele associaties oproepen en de inhoud van de sessie niet sturen, zoals dat het geval zou kunnen zijn bij Wagner’s of Mendelssohn’s huwelijksmarsen of de ouverture van Bizet’s Carmen.
De sessie begint met stimulerende muziek die dynamisch, stromend, aanmoedigend en geruststellend is. Terwijl de sessie voortgezet wordt, begint de muziek geleidelijk te intensiveren en worden krachtige trance-opwekkende stukken gedraaid, bij voorkeur afkomstig uit de rituele en spirituele tradities van inheemse samenlevingen. Hoewel veel van deze voordrachten esthetische waarde hebben, is hun belangrijkste doeleinde niet het vermaken van een publiek maar het opwekken van holotrope ervaringen.
Ongeveer anderhalf uur na het begin van de sessie, wanneer de ervaring meestal een hoogtepunt bereikt, introduceren we zogenaamde “doorbraak muziek”. De muziekselecties die rond deze tijd gebruikt worden lopen uiteen van heilige muziek – missen, oratoria, requiems, en andere orkestrale stukken – tot passages uit dramatische filmmuziek. In de tweede helft van de sessie neemt de intensiteit van de muziek geleidelijk af en beginnen we liefdevolle en emotioneel meeslepende stukken te draaien (“muziek van het hart”). Aan het einde, in de afsluitingsperiode van de sessie, heeft de muziek een verzachtend, stromend, tijdloos en meditatief karakter.
Veel beoefenaren van holotroop ademwerk verzamelen muziekopnames en stellen hun eigen favoriete afspeellijsten samen voor de vijf opeenvolgende fases van de sessie: (1) openingsmuziek, (2) trance-opwekkende muziek, (3) doorbraak muziek, (4) muziek van het hart, en (5) meditatieve muziek. Sommigen maken gebruik van apparatuur om vantevoren muziek te programmeren voor de gehele sessie; dit geeft de begeleiders de mogelijkheid zich meer op de groep te concentreren, maar maakt het onmogelijk om op flexibele wijze de muziekkeuze op de energie van de groep af te stemmen.

Photobucket

De toepassing van lichaamswerk

De lichamelijke reactie op holotroop ademwerk verschilt van persoon tot persoon. In de meeste gevallen veroorzaakt sneller ademen aanvankelijk min of meer dramatische psychosomatische verschijnselen. Literatuur over de fysiologie van de ademhaling verwijst naar deze reactie als het “hyperventilatie syndroom”. Dit wordt omschreven als een stereotiep patroon van fysiologische reacties die voornamelijk bestaan uit spanningen in de handen en de voeten (carpopedale spasmen). We hebben inmiddels ademsessies van meer dan dertigduizend personen begeleid en zijn tot de conclusie gekomen dat de medische kijk op deze effecten niet correct is.
Bij veel personen leidt drie tot vier uur sneller ademen niet tot het klassieke hyperventilatie syndroom, maar tot een toenemende staat van ontspanning, intense seksuele gevoelens of zelfs mystieke ervaringen. Anderen ontwikkelen spanningen in diverse lichaamsdelen maar vertonen geen tekenen van carpopedale spasmen. In dege-nen die spanningen ontwikkelen leidt een voortzetting van het sneller ademhalen niet tot een toename van de spanningen, maar blijken de verschijnselen zelfbegrensd te zijn. Ze bereiken in de regel een climax, gevolgd door diepe ontspanning. Het patroon van deze opeenvolging lijkt in zekere zin op een seksueel orgasme.
In seriële holotrope sessies verplaatst dit proces (toename van spanning gevolgd door een ontlading ervan) zich vaak van het ene deel van het lichaam naar het andere, op een wijze die van persoon tot persoon verschilt. De hoeveelheid spier-spanning en de intensiteit van de emoties neemt in de loop van de sessies echter af. Wat er in dit proces plaatsvindt is dat het langdurig sneller ademhalen de chemische hoedanigheid van het organisme op zo’n manier verandert dat de door traumatische gebeurtenissen geblokkeerde lichamelijke en emotionele energieën worden bevrijd en beschikbaar komen voor perifere ontlading en verwerking. Dit maakt het mogelijk om de voorheen onderdrukte inhoud van deze herinneringen in het bewustzijn te laten verschijnen en te integreren. Het is zodoende een genezingsproces dat aangemoedigd en ondersteund moet worden en niet een pathologisch proces dat moet worden onderdrukt, zoals gebruikelijk is in de medische wereld.
Fysieke verschijnselen die zich tijdens het ademhalen ontwikkelen zijn niet simpelweg fysiologische reacties op hyperventilatie. Ze hebben een complexe psychosomatische structuur en meestal een specifieke psychologische betekenis voor de cliënt. Soms vertegenwoordigen ze een geïntensiveerde versie van spanningen en pijnen die de persoon kent uit het dagelijkse leven, als chronisch probleem of als de tijdelijke symptomen die zich voordoen in tijden van emotionele of lichamelijke stress, vermoeid-heid, slaapgebrek, verzwakking door ziekte, of het gebruik van alcohol of wiet. Andere keren kunnen ze herkend worden als de reactivering van oude symptomen waar de persoon last van had in zijn of haar zuigelingenperiode, kindertijd, jeugd of volwassen leven.
De spanningen die we in ons lichaam dragen kunnen op twee verschillende manieren ontladen worden. De eerste manier heeft te maken met catharsis en abreactie – ontlading van opgekropte fysieke energieën door middel van bevingen, zenuwtrekjes, dramatische bewegingen van het lichaam, kuchen, braakneigingen en overgeven. Zowel bij catharsis als bij abreactie is er vaak sprake van bevrijding van geblokkeerde emoties door middel van huilen, schreeuwen of andere vormen van vocale uitdrukking. Dit zijn mechanismen die welbekend zijn binnen de traditionele psychiatrie sinds Sigmund Freud en Joseph Breuer over hun onderzoek naar hysterie schreven (Freud en Breuer 1936). Voor de behandeling van door trauma’s veroorzaakte emotionele neuroses heeft men in de traditionele psychiatrie veelvuldig gebruik gemaakt van allerlei abreactieve technieken, en abreactie vertegenwoordigt een integraal onderdeel van de nieuwe experiëntiële psychotherapieën, zoals het Neo-Reichiaanse lichaamswerk, Gestalt therapie en primaltherapie.
Het tweede mechanisme dat kan mediëren in de bevrijding van lichamelijke en emotionele spanningen speelt een belangrijke rol in holotroop ademwerk, rebirthing en andere vormen van therapie waarbij ademhalingstechnieken worden toegepast. Het is een nieuwe ontwikkeling in zowel de psychiatrie als de psychotherapie en is in vele opzichten effectiever en interessanter. Bij deze technieken komen oude spanningen los in de vorm van tijdelijke spiersamentrekkingen van verschillende duur. Door deze spierspanningen langere tijd vast te houden, verbruikt het organisme enorme hoeveelheden opgekropte energie en vereenvoudigt diens functioneren door zich er van te ontdoen. De diepe ontspanning die volgt op de tijdelijke intensivering van oude of sluimerende spanningen getuigt van de genezende werking van dit proces.
Deze twee mechanismen hebben hun gelijken in de fysiologie van sport, waarin het bekend is dat men de spieren op twee manieren kan belasten en trainen, namelijk door middel van isotone en isometrische oefeningen. Zoals de naam al aangeeft, blijft de spanning van de spieren tijdens isotone oefeningen constant terwijl hun duur varieert. Tijdens isometrische oefeningen verandert de spanning in de spieren, maar blijft de duur gelijk. Een goed voorbeeld van isotone activiteit is boksen, terwijl gewichtheffen duidelijk isometrisch is. Beide mechanismen zijn bijzonder effectief in het bevrijden en opheffen van verkramping. Ondanks hun oppervlakkige verschillen hebben ze veel gemeen, en tijdens holotroop ademwerk vullen ze elkaar heel effectief aan.
De vervelende emotionele en lichamelijke gewaarwordingen die tijdens holotrope sessies in het bewustzijn verschijnen bereiken in de meeste gevallen vanzelf een conclusie en de ademers ervaren uiteindelijk een diep ontspannen meditatieve bewustzijnstoestand. Externe interventies zijn in dat geval niet nodig en men blijft in deze toestand tot het normale bewustzijn vanzelf weer terugkeert. Na een kort gesprek met de begeleiders verplaatsen ze zich naar een andere ruimte om daar een mandala te schilderen.
Als het ademen zelf niet tot een goede voltooiing leidt en er resterende spanningen en onverwerkte emoties overblijven, kunnen de begeleiders aanbieden een specifieke vorm van lichaamswerk toe te passen die de ademer helpt een betere af-ronding van de sessie te bereiken. De algemene strategie van dit werk is de ademer te vragen om zijn of haar aandacht te richten op het gebied waar zich een probleem voordoet en te doen wat vereist is om de bestaande fysieke gewaarwording te intensiveren. De begeleider helpt deze gevoelens dan nog meer te intensiveren door middel van toepasselijke externe interventie.
Terwijl de aandacht van de ademer gericht is op het energetisch geladen probleemgebied, wordt hij of zij aangemoedigd spontaan op deze situatie te reageren. Deze reactie moet geen bewuste keuze van de ademer zijn, maar volledig bepaald worden door het onbewuste proces. Het neemt vaak een volkomen onverwachte en verrassende vorm aan – het geluid van een bepaald dier, glossolalia, sjamanistische gezangen uit een bepaalde cultuur, het uitslaan van wartaal of het gebrabbel van een baby. Even frequent zijn compleet onverwachte lichamelijke reacties, zoals wilde bevingen, schokken, kuchen en overgeven, evenals bewegingen van dieren. Het is van groot belang dat de begeleiders dit proces enkel ondersteunen in plaats van een bepaalde therapeutische techniek toe te passen. Dit lichaamswerk wordt voortgezet tot de begeleider en ademer het erover eens zijn dat de sessie op een goede manier is afgesloten.
 

Heilzaam lichamelijk contact

In holotroop ademwerk gebruiken we ook nog een andere vorm van fysieke interventie, een die ontwikkeld is om op een diep preverbaal niveau steun te bieden. Deze methode is gebaseerd op de observatie dat er twee fundamenteel van elkaar verschillende trauma’s bestaan en dat ze elk een heel andere benadering vergen. De eerste hiervan is trauma door inbreuk. Deze vorm van traumatisering is het resultaat van externe gebeurtenissen die een schadelijke invloed hadden op de toekomstige ontwikkeling van het individu. Tot deze categorie behoren lichamelijk en seksueel misbruik, beangstigende situaties, vernietigende kritiek en spot. Deze trauma’s zijn externe elementen in het onbewuste die men kan verwerken door ze in het bewustzijn te laten verschijnen en van hun energetische lading te ontdoen.
Hoewel dit onderscheid niet erkend wordt in conventionele psychotherapie is de tweede vorm van traumatisering, namelijk trauma door verzuim, heel anders. Hierbij is er sprake van het tegenovergestelde – gebrek aan positieve ervaringen die essentieel zijn voor een gezonde emotionele ontwikkeling. Zowel de zuigeling als het oudere kind hebben sterke primitieve behoeften voor instinctuele bevrediging en zekerheid die kinderartsen en kinderpsychiaters anaclytisch noemen (van het Griekse anaklinein, dat “leunen op” betekent). Dit woord heeft betrekking op de behoefte om vastgehouden, gestreeld en gerustgesteld te worden, om met iemand te spelen en het middelpunt van menselijke aandacht te zijn. Wanneer deze behoeften niet bevredigd worden, heeft dat ernstige consequenties voor de toekomst van het individu.
Veel mensen hebben een historie van emotionele tekortkoming, verwaarlozing en verstoting die resulteerde in ernstige frustratie van de anaclytische behoeften. De enige manier om dit soort trauma’s te genezen is het verschaffen van een corrigerende ervaring, in de vorm van ondersteunend lichamelijk contact tijdens een holotrope bewustzijnstoestand. Deze benadering is alleen effectief wanneer de persoon door middel van diepe regressie naar het infantiele ontwikkelingsstadium is teruggevoerd, anders bereikt de corrigerende maatregel niet het ontwikkelingsniveau waarop het trauma plaatsvond. Afhankelijk van de omstandigheden en vooraf overeengekomen afspraken kan deze fysieke steun uiteenlopen van het vasthouden van een hand of het aanraken van het voorhoofd tot volledig lichamelijk contact.
Het toepassen van heilzaam lichamelijk contact is een zeer effectieve manier om vroege emotionele trauma’s te genezen. Het vereist echter wel dat men zich aan strikte ethische regels houdt. We moeten de ademers voor de sessie over de achtergrond en werking van deze techniek vertellen en toestemming krijgen om deze toe te passen. In geen geval kan deze benadering toegepast worden zonder overeenstemming vooraf, en men mag deze op geen enkele manier afdwingen. Voor mensen die seksueel misbruikt zijn is lichamelijk contact een gevoelige en beladen kwestie. Vaak hebben degenen die het juist nodig hebben er de meeste weerstand tegen. Soms duurt het een lange tijd voordat de persoon voldoende vertrouwen heeft in de begeleiders en de groep om deze techniek te accepteren en er profijt mee te doen.
Geruststellend lichamelijk contact moet uitsluitend gebruikt worden om de behoeften van de ademers te vervullen en niet die van de sitters of begeleiders. Hiermee doel ik niet alleen op seksuele behoeften of de behoefte aan intimiteit, dat natuurlijk voor de hand liggende kwesties zijn. Even problematisch zijn een sterke behoefte om nodig te zijn of geliefd en gewaardeerd te worden, een niet-vervulde behoefte moeder te zijn, en andere minder extreme emotionele behoeften en verlangens. Ik kan me een incident herinneren dat tijdens een van onze workshops aan het Esalen Institute in Big Sur plaatsvond.
Aan het begin van een vijfdaagse seminar vertelde een van de deelnemers, een postmenopausale vrouw, dat ze altijd kinderen had gewild en hoeveel verdriet het haar deed dat dit nooit heeft mogen gebeuren. In het midden van een holotrope sessie, waarin ze fungeerde als sitter voor een jongere man, trok ze opeens het bovenlichaam van de ademer op haar schoot en begon hem te wiegen en te troosten. Haar timing had niet slechter kunnen zijn; achteraf bleek dat hij zich op dat moment middenin de ervaring van een vorig leven bevond waarin hij een machtige Viking krijger was op een militaire expeditie.
Het is meestal vrij makkelijk te onderscheiden wanneer de regressie van een ademer de vroege zuigelingenperiode heeft bereikt. In een bijzonder diepe leeftijds-regressie verdwijnen alle rimpels in het gezicht en de persoon zou het voorkomen of het gedrag van een zuigeling kunnen hebben. Hierbij kunnen allerlei infantiele houdingen en gebaren gezien worden, evenals kwijlen en duimzuigen. Andere keren is de gepastheid van lichamelijk contact duidelijk door de context, bijvoorbeeld wanneer een ademer net de biologische geboorte heeft herbeleefd en als verloren en verlaten overkomt. De moederlijke behoeften van de vrouw in de Esalen workshop waren zo sterk dat ze de overhand kregen en zij niet langer in staat was om de situatie objectief te beoordelen en op een gepaste wijze te handelen.
Voordat we deze verhandeling van lichaamswerk afsluiten, zou ik een vraag willen beantwoorden die vaak gesteld wordt in de context van holotrope workshops en lezingen over experiëntieel werk: “Aangezien het herbeleven van traumatische gebeurtenissen meestal erg pijnlijk is, waarom zou het dan een therapeutische ervaring zijn in plaats van een nieuwe traumatisering?” Ik denk dat het beste antwoord op dit vraagstuk te vinden is in het artikel “Unexperienced Experience” van de Ierse psychiater Ivor Browne en zijn team (McGee et al. 1984). Zij suggereerden dat we hier niet te maken hebben met een exacte herhaling van de oorspronkelijke traumatische situatie, maar met de eerste volledige ervaring van de toepasselijke emotionele en fysieke reacties erop. Dit betekent dat wanneer traumatische gebeurtenissen plaatsvinden ze worden opgeslagen in het organisme, maar niet volledig bewust ervaren, verwerkt en geïntegreerd worden.
Bovendien is de persoon die wordt geconfronteerd met de onderdrukte traumatische herinnering niet langer de hulpeloze en volkomen afhankelijke baby of het kind die hij of zij in de oorspronkelijke situatie was, maar een volwassene. De holotrope bewustzijnstoestand in de meer experiëntiële vormen van psychotherapie stelt de persoon in staat om in twee verschillende combinaties van ruimte-tijd coördinaten aanwezig te zijn en te functioneren. Volledige leeftijdsregressie maakt het mogelijk om alle emoties en lichamelijke gewaarwordingen van de oorspronkelijke traumatische situatie te beleven vanuit het perspectief van het kind, maar tegelijkertijd in de therapeu-tische situatie de herinnering te analyseren en evalueren vanuit een meer volwassen perspectief.

Het verloop van holotrope sessies

Het verloop van holotrope sessies varieert van persoon tot persoon, en voor dezelfde persoon van sessie tot sessie. Sommige mensen blijven helemaal stil en vrijwel bewegingloos liggen. Ze hebben diepgaande ervaringen, maar wekken de indruk dat er niets gebeurt of dat ze slapen. Anderen worden rusteloos en vertonen veel lichamelijke activiteit. Ze ervaren hevig beven, ingewikkelde draaiingen van het lichaam, rollen over de grond en zwaaien met hun armen in de lucht, nemen de foetushouding aan, gedragen zich als een baby die in het geboortekanaal voor zijn leven strijdt, of zien er uit en gedragen zich als pasgeborenen. Ook ziet men mensen vaak kruip-, zwem- graaf- en klimbewegingen maken.
Zo nu en dan zijn de bewegingen en gebaren zeer verfijnd, complex, specifiek en gedifferentieerd. De bewegingen imiteren die van slangen, vogels of katachtige roofdieren en worden vergezeld door passende geluiden. Soms nemen ademers spontaan yogahoudingen aan (asana’s) en maken handgebaren (mudra’s) waar ze nog niet bekend mee waren. Zo nu en dan lijken de automatische bewegingen en/of geluiden op de rituele en theatrale opvoeringen uit verschillende culturen – sjamanistische gebruiken, Javaanse dansen, de Balinese “Ramayana apen chant” (Ketjak), de Japanse Kabuki, of het uitslaan van wartaal zoals in de bijeenkomsten van de Pentecostal Church.
De emoties die in holotrope sessies waargenomen worden beslaan een heel breed gebied. Aan de ene kant van het spectrum kan men met gevoelens van buitengewoon welzijn, diepe vrede, kalmte, helderheid, vreugde, kosmische eenheid of extatische vervoering te maken krijgen. Aan de andere kant van hetzelfde spectrum zijn er episodes van onbeschrijfelijke angst, verterende schuldgevoelens, moordende agressie, en een gevoel van eeuwige verdoemenis. De buitengewone intensiteit van deze emoties kan alles ontstijgen wat men in het alledaagse bewustzijn ervaren heeft of voor mogelijk had gehouden. Deze extreme emotionele bewustzijnstoestanden zijn vaak gerelateerd aan ervaringen van een perinatale of transpersoonlijke aard.
In het midden van het experiëntiële spectrum bevinden zich minder extreme emotionele ervaringen die meer lijken op die waar we bekend mee zijn in het leven van alledag – boosheid, angst, verdriet, hopeloosheid, gevoelens van mislukking, minder-waardigheid, schaamte, schuldgevoelens of walging. Deze zijn vaak gerelateerd aan biografische herinneringen; hun bronnen zijn traumatische ervaringen uit de zuigelingenperiode, kindertijd en het leven als volwassene. Hun positieve tegenhangers zijn gevoelens van blijdschap, emotionele vervulling, vreugde, seksuele bevrediging en een algemene toename van levenslust.
Zoals ik eerder al vermelde, wekt het snellere ademhalen soms geen lichamelijke spanningen of moeizame emoties op, maar leidt het direct tot onspanning, een gevoel van expansie en welzijn, en visioenen van licht. De ademer kan overspoeld worden door gevoelens van liefde en ervaringen hebben van mystieke eenheid met andere mensen, de natuur, de gehele kosmos en God. Meestal doen deze positieve emotionele bewustzijnstoestanden zich voor aan het einde van de holotrope sessies, wanneer de uitdagende en turbulente delen van de ervaring achter de rug zijn.
Het is verbazingwekkend hoeveel mensen in onze cultuur, wellicht vanwege de protestantse ethiek of om andere redenen, moeite hebben met het accepteren van extatische ervaringen, tenzij deze volgen op afzien en hard werk, maar er zelfs dan onzeker over zijn. Ze reageren er vaak op met sterke schuldgevoelens of het gevoel ze niet te verdienen. Het komt ook vaak voor, met name onder psychiatrische hulpverleners, dat men op positieve ervaringen reageert met wantrouwen en ze ervan verdenkt pijnlijk en onaangenaam materiaal te verbergen en maskeren. Het is onder deze omstandigheden zeer belangrijk om de ademers gerust te stellen dat positieve ervaringen bijzonder genezend zijn en ze aan te moedigen deze zonder voorbehoud te accepteren als onvoorziene genade.
Een typisch gevolg van een holotroop ademwerk sessie is diepe emotionele bevrijding en lichamelijke ontspanning. Na een succesvolle en goed geïntegreerde sessie rapporteren veel mensen dat ze zich kalmer voelen dan ze zich ooit eerder hebben gevoeld. Langdurig sneller ademhalen is zodoende een buitengewoon krachtige en effectieve methode van stressreductie en is bevorderlijk voor emotionele en psychosomatische genezing. Een ander veelvuldig optredend gevolg van dit werk is het maken van een verbinding met de numineuze dimensies van zowel de eigen psyche als het bestaan in het algemeen. Dit is tevens het inzicht dat men aantreft in de spirituele literatuur uit alle culturen en tijdperken.
Het genezend potentieel van ademhaling is vooral duidelijk binnen de kundalini yoga. In dat systeem worden periodes van sneller ademhalen gebruikt in de loop van meditatieve oefeningen (bastrika) of treden spontaan op als onderdeel van de emotionele en fysieke verschijnselen die bekend staan als kriya’s. Dit komt overeen met mijn eigen mening dat soortgelijke spontane episodes die zich in psychiatrische patiënten voordoen, en bekend staan als het hyperventilatie syndroom, pogingen zijn tot zelfgenezing. Ze dienen te worden aangemoedigd en ondersteund in plaats van routinematig te worden onderdrukt, hetgeen de gebruikelijke medische benadering is.
De duur van holotroop ademwerk sessies varieert van persoon tot persoon, en voor dezelfde persoon van sessie tot sessie. Voor een optimale integratie van de ervaring is het belangrijk dat de begeleiders en sitters bij de ademer blijven zolang deze zich in het proces bevindt en ongebruikelijke ervaringen heeft. In de afsluitingsperiode van de sessie kan een juiste toepassing van lichaamswerk beduidend bijdragen aan emotio-nele en lichamelijke verwerking en integratie. Direct contact met de natuur kan ook een sterk kalmerende en grondende uitwerking hebben en helpen bij het integreren van de sessie. Met name effectief is blootstelling aan water, zoals de mogelijkheid om in een warm bubbelbad te gaan zitten of in een zwembad, meer of de zee te gaan zwemmen.

Mandala’s schilderen en ervaringen delen met de groep

Wanneer de sessie over is en de ademer naar de alledaagse bewustzijnstoestand terugkeert, vergezelt de sitter hem of haar naar de mandala kamer. Deze ruimte is uitgerust met allerlei kunstbenodigdheden, zoals vetkrijt, viltstiften en waterverf, even-als groot formaat schetsblokken. Op de vellen van deze schetsblokken zijn met potlood cirkels getekend met een doorsnee van ongeveer 30 centimeter. De ademers wordt verzocht te gaan zitten, aan hun ervaring te denken en dan een manier te vinden om wat hen tijdens de sessie overkomen is tot uitdrukking te brengen.
Er zijn geen specifieke richtlijnen voor het tekenen of schilderen van de mandala’s. Sommige mensen combineren simpelweg verschillende kleuren, anderen maken geometrische mandala’s of figuurlijke tekeningen. Deze laatste zouden een visioen kunnen vertegenwoordigen die tijdens de sessie ervaren werd, of een reisbeschrijving in de vorm van duidelijk te onderscheiden opeenvolgingen van afbeeldingen. Zo nu en dan besluit de ademer een enkele sessie te documenteren met meerdere mandala’s die de verschillende aspecten of stadia van de sessie weerspiegelen. In zeldzame gevallen heeft de ademer geen idee wat hij of zij gaat tekenen en produ-ceert deze een automatische tekening.
We hebben gevallen gezien waarin de mandala niet de onmiddellijk voorafgaande sessie illustreert maar de sessie die er op zou volgen. Dit is in overeenstemming met Carl Jung’s idee dat de voortbrengselen van de psyche niet volledig verklaard kunnen worden op basis van voorafgaande historische gebeurtenissen. In vele gevallen hebben ze niet alleen een terugblikkend maar ook een vooruitblikkend aspect. Sommige mandala’s weerspiegelen zodoende een beweging in de psyche die door Jung het individuatieproces werd genoemd, en onthullen het volgende stadium. Een mogelijk alternatief voor mandala’s tekenen is boetseren met klei. We introduceerden deze methode toen we in onze groep deelnemers hadden die blind waren en geen mandala konden schilderen. Het was interessant om te zien dat wanneer het beschikbaar was ook sommige andere deelnemers de voorkeur gaven aan dit medium of kozen voor een combinatie in de vorm van een driedimensionale mandala.
Later op de dag brengen de ademers hun mandala’s naar een groepssessie, waarin ze vertellen over hun ervaring. De strategie van de begeleiders is het aanmoedigen van een open houding en maximale eerlijkheid tijdens het delen van de ervaring. De bereidheid van deelnemers om de inhoud van hun sessies te onthullen, waaronder allerlei intieme details, is bevorderlijk voor het ontwikkelen van een vertrouwensband binnen de groep. Het verdiept, intensiveert en bespoedigt het therapeutische proces.
In tegenstelling tot de gebruiken van andere therapeutische leerscholen, weerhouden de begeleiders zich ervan de ervaringen van de deelnemers te interpreteren. De reden hiervoor is het onder deze leerscholen aanwezige gebrek aan overeen-stemming over hoe de psyche functioneert. We bespraken eerder het feit dat onder deze omstandigheden alle interpretaties twijfelachtig en willekeurig zijn. Een andere reden om geen interpretaties aan te dragen is het feit dat de inhoud van de psyche over-gedetermineerd en betekenisvol gerelateerd is aan meerdere lagen van de psyche. Het geven van een zogenaamd definitieve uitleg of interpretatie zou het proces kunnen bevriezen en de therapeutische vooruitgang belemmeren.

Photobucket

Een productiever alternatief is het stellen van vragen die helpen extra informatie in te winnen vanuit het perspectief van de cliënt die, als degene die het proces beleeft heeft, de ultieme expert is wat zijn of haar ervaring betreft. Wanneer we geduldig zijn en de verleiding weerstaan om onze eigen indrukken te delen, ontdekken de deelnemers meestal hun eigen verklaringen die de ervaring het beste omschrijven. Zo nu en dan kan het helpen als we onze eigen observaties uit het verleden met betrekking tot vergelijkbare ervaringen delen of we op overeenkomsten met de ervaringen van andere deelnemers in de groep wijzen. Wanneer de ervaringen archetypisch materiaal bevatten, kan C. G. Jung’s methode van versterking – het wijzen op raakvlakken tussen een bepaalde ervaring en soortgelijke mythologische motieven uit andere culturen – of het raadplegen van een goede encyclopedie van symbolen zeer nuttig blijken.
Op de dagen die volgen op intense sessies waarin belangrijke emotionele doorbraken of openingen plaatvonden, kunnen allerlei aanvullende benaderingen ge-bruikt worden om de integratie hiervan te ondersteunen. Daartoe behoren het bespreken van de sessie met een ervaren begeleider, het opschrijven van de inhoud van de ervaring, of het tekenen van meer mandala’s. Indien de holotrope ervaring overbodige of opgekropte fysieke energie heeft bevrijd, kunnen lichaamswerk met een beoefenaar die emotionele uitdrukking toestaat, expressief dansen, joggen, zwemmen en andere vormen van lichaamsbeweging zeer nuttig zijn. Een sessie Gestalt therapie of Dora Kalff’s jungiaanse Zandspel kan helpen bij het verfijnen van inzicht in de holotrope ervaring en bijdragen aan een dieper begrip van de inhoud ervan.

Therapeutisch potentieel van holotroop ademwerk

Christina en ik hebben holotroop ademwerk ontwikkeld en beoefend buiten de medische setting – in onze maand lange seminars en kortere workshops aan het Esalen Institute, in diverse ademwerk workshops in andere delen van de wereld, en in ons trainings-programma voor begeleiders. Ik heb de therapeutische werkzaamheid van deze methode niet op dezelfde manier kunnen onderzoeken als toen ik in het verleden psychedelische therapie verrichtte. Het psychedelisch onderzoek aan het Maryland Psychiatric Research Center bestond uit gecontroleerde klinische onderzoeken met psychologische tests en een systematisch, medisch uitgevoerd follow-up gesprek.
Maar de therapeutische resultaten van holotroop ademwerk waren vaak zo dramatisch en zo betekenisvol verbonden aan specifieke ervaringen in de sessies dat ik er niet aan twijfel dat holotroop ademwerk een werkzame vorm van therapie en zelf-ontdekking is. Door de jaren heen hebben we talloze gevallen meegemaakt waarin deelnemers zich uit een depressie wisten te bevrijden die meerdere jaren had geduurd, fobieën overwonnen, zich bevrijdden van irrationele schuldgevoelens, en hun zelf-vertrouwen en gevoel van eigenwaarde radicaal zagen toenemen. We zijn ook getuige geweest van het verdwijnen van ernstige psychosomatische pijnen, waaronder migraine aanvallen, en radicale, blijvende verbetering of zelfs volledig verdwijnen van psycho-gene astma. Veel deelnemers vergeleken hun vooruitgang tijdens de holotrope sessies met die van jarenlange verbale therapie.
Wanneer we het hebben over het evalueren van de werkzaamheid van krachti-ge vormen van experiëntiële psychotherapie, zoals werk met psychedelica of holotroop ademwerk, is het belangrijk om te wijzen op enkele fundamentele verschillen tussen deze benaderingen en verbale vormen van therapie. Verbale psychotherapie strekt zich vaak uit over een periode van jaren, en grote doorbraken zijn eerder zeldzame uitzonderingen dan algemene gebeurtenissen. Wanneer veranderingen van de symptomen plaatsvinden, gebeurt dat op een ruime tijdsschaal en is het moeilijk om te bewijzen dat er sprake is van een causaal verband tussen specifieke gebeurtenissen in het therapeutische proces. Maar in een psychedelische of holotrope sessie kunnen krachtige veranderingen plaatsvinden in de loop van enkele uren en kunnen ze op overtuigende wijze gerelateerd worden aan een specifieke ervaring.
De veranderingen die waargenomen worden in holotrope therapie beperken zich niet tot aandoeningen die traditioneel aangemerkt worden als psychisch of psycho-somatisch. In veel gevallen kunnen holotroop ademwerk sessies zorgen voor drastische verbetering van fysieke aandoeningen die in medische handboeken worden omschreven als organische (lichamelijke) ziektes. Bijvoorbeeld het verdwijnen van chronische infec-ties (sinusitis, faryngitis, bronchitis en cystitis) nadat opheffing van bio-energetische blokkades zorgde voor een herstel van de bloedcirculatie in de overeenstemmende gebieden. Tijdens één holotrope training ervaarde een vrouw met osteoporose verdichting van haar botten.
We hebben ook een volledig herstel van de perifere bloedcirculatie waargenomen in mensen die leden aan de ziekte van Raynaud, een stoornis waarbij de handen en voeten koud aanvoelen en de huid afsterft. In al deze gevallen was de beslissende factor voor genezing de bevrijding van bio-energetische blokkades in de aangedane delen van het lichaam, gevolgd door bloedvatverwijding. De meest verbluffende observatie in deze categorie was een dramatische vermindering van de symptomen van Takayasu arteritis, een ziekte met een onbekende oorzaak, gekenmerkt door toenemende vernauwing van de aderen in het bovenlichaam. Het is een aandoening die gezien wordt als progressief, ongeneeslijk en potentieel dodelijk.
In enkele gevallen is het therapeutisch potentieel van holotroop ademwerk bevestigd in klinische onderzoeken verricht door beoefenaren die door ons getraind zijn en deze methode onafhankelijk toepassen in hun eigen praktijk. We hebben meerdere keren de gelegenheid gehad om informele feedback te ontvangen van mensen wier psychische, psychosomatische en fysieke symptomen jaren daarvoor tijdens een training of workshop waren verbeterd of verdwenen. Dit heeft ons laten zien dat de verbeteringen die in holotrope sessies bereikt worden vaak lang aanhouden. We verwachten dat de werkzaamheid van deze interessante methode van zelfverkenning en therapie in de toekomst zal worden bevestigd in zorgvuldig opgezette klinische onderzoeken.

De fysiologische mechanismen die bij holotroop ademwerk betrokken zijn

Met het oog op het krachtige effect dat holotroop ademwerk op het bewustzijn heeft, is het goed om stil te staan bij de fysiologische en biochemische mechanismen die er bij betrokken zijn. Veel mensen geloven dat wanneer we sneller ademen, we simpelweg zorgen voor meer zuurstof in het lichaam en de hersenen. De feitelijke situatie is echter veel ingewikkelder. Het is waar dat sneller ademhalen de longen voorziet van meer lucht en dus zuurstof, maar het voert ook kooldioxide (CO2) af en veroorzaakt bloedvatvernauwing in bepaalde lichaamsdelen.
Aangezien CO2 zuurvormend is, zal deze afvoer het bloed basischer maken (een hogere pH) en in een basische omgeving wordt er minder zuurstof naar de weefsels getransporteerd. Dit zet een homeostatisch mechanisme in werking die het omgekeerde doet: de nieren scheiden basische urine uit om deze verandering te compenseren. De hersenschors is een van de gebieden in het lichaam die op sneller ademenen reageert door middel van bloedvatvernauwing. Aangezien de mate van gasuitwisseling niet alleen bepaald wordt door de snelheid van het ademen maar ook door de diepte ervan, is de situatie vrij complex en niet eenvoudig per individueel geval te bepalen zonder een hele reeks specifieke laboratoriumonderzoeken.
Nemen we echter alle bovengenoemde fysiologische mechanismen in ogenschouw, dan komt de situatie van mensen tijdens een holotroop ademwerk sessie zeer waarschijnlijk overeen met die van mensen hoog in de bergen, waar er minder zuurstof aanwezig is en de hoeveelheid kooldioxide in het bloed wordt verminderd door middel van compenserend sneller ademhalen. De hersenstam, dat vanuit een evolutionair oog-punt het jongste deel van de hersenen is, reageert gevoeliger op externe invloeden (zoals alcoholconsumptie en zuurstofgebrek) dan de oudere delen van de hersenen. Deze situatie veroorzaakt zodoende een beperking van de corticale functies en een toename van activiteit in de archaïsche delen van de hersenen, waardoor onbewuste processen toegankelijker worden.
Het is interessant dat veel individuen die hoog in de bergen woonden, en hele samenlevingen, bekend stonden om hun vergevorderde spiritualiteit. In dit verband kan men denken aan de yogi’s in het Himalaya gebergte, de Tibetaanse boeddhisten en de Peruaanse Inca’s. Het is verleidelijk om dit te relateren aan het feit dat ze door het lagere zuurstofpercentage in die atmosfeer toegang hadden tot transpersoonlijke ervaringen. Maar een langdurig verblijf op grote hoogte leidt tot fysiologische aanpassingen, zoals de verhoogde aanmaak van rode bloedcellen. De acute situatie tijdens holotroop ademwerk is daarom niet direct vergelijkbaar met een langdurig verblijf in hoog gebergte.
Hoe het ook zij, er bestaat een kloof tussen de beschrijving van de fysiologische veranderingen die in de hersenen plaats vinden en het buitengewoon rijke spectrum aan verschijnselen die door holotroop ademwerk opgewekt worden, zoals authentieke experiëntiële vereenzelviging met dieren, archetypische visioenen, of herinneringen uit vorige levens. Deze situatie kan vergeleken worden met het mysterie van de psychologische effecten van LSD. Het feit dat door middel van beide methodes transpersoonlijke ervaringen opgewekt kunnen worden waarin er via buitenzintuiglijke wegen toegang is tot feitelijke nieuwe informatie over het universum, toont aan dat deze inhoud niet in de hersenen ligt opgeslagen.
Nadat Aldous Huxley psychedelische bewustzijnstoestanden had ervaren, kwam hij tot de conclusie dat onze hersenen onmogelijk de bron van dit soort ervaringen kunnen zijn. Hij suggereerde dat de hersenen eerder functioneren als een reductieventiel dat ons afschermt van een oneindig veel grotere stroom van kosmische informatie. Concepten die Huxley’s idee bevestigen en aannemelijk maken zijn onder andere “herinnering zonder materiële basis” (von Foerster 1965), Sheldrake’s “morfo-genetische velden” (Sheldrake 1981) en Laszlo’s “Akasha-veld” (Laszlo 1993).

Holotrope therapie en andere behandelmethodes

Tientallen jaren ervaring met holotrope bewustzijnstoestanden hebben me ervan over-tuigd dat de nieuwe inzichten inzake de aard van bewustzijn, dimensies van de menselijke psyche, en de architectuur van de emotionele en psychosomatische stoornis-sen die we in de voorgaande hoofdstukken hebben besproken feitelijk zijn en blijvende waarde hebben. Naar mijn mening dienen ze te worden geïntegreerd in de theorie van psychiatrie en psychologie en deel uit te gaan maken van het conceptuele raamwerk van alle therapeuten, ongeacht het soort therapie dat ze beoefenen.
Zoals Frances Vaughan zo welsprekend heeft verwoord in haar bespreking van transpersoonlijke psychotherapie, wordt de inhoud en focus van therapeutisch werk telkens bepaald door wat de cliënt naar de sessie brengt. De specifieke bijdrage van de therapeut is dat hij of zij een conceptueel raamwerk heeft dat groot genoeg is om een betekenisvolle context te vormen voor dat wat in het proces bovenkomt. Een trans-persoonlijk therapeut kan de cliënt zodoende volgen naar elk domein van de psyche waar het proces hen heen voert (Vaughan 1979).
Als het theoretische raamwerk van de therapeut beperkt is, zal hij of zij niet in staat zijn om verschijnselen te begrijpen die zich erbuiten bevinden en geneigd zijn ze te zien als afgeleiden van iets dat deel uitmaakt van zijn of haar begrensde wereldbeeld. Dit leidt tot ernstige verdraaiingen en zal de kwaliteit en werkzaamheid van het therapeutische proces nadelig beïnvloeden, of het nu gaat om experiëntiele of verbale therapie. Aangezien ik deze twee algemene vormen van psychotherapie genoemd heb, is het wellicht nuttig om te kijken in welke gevallen ze aan te bevelen zijn, wat hun genezingspotentieel is, en wat hun beperkingen zijn.
Bepaalde belangrijke aspecten van emotionele en psychosomatische stoornis-sen, met name die welke gerelateerd zijn aan blokkades van psychische en lichamelijke energie, vergen een experiëntiële benadering, en pogingen om ze te beïnvloeden door middel van verbale therapie zijn tijdverspilling. Het is daarnaast onmogelijk om de perinatale en transpersoonlijke wortels van psychische problemen te bereiken door middel van therapie die zich beperkt tot verbale middelen. Aan de andere kant is verbale therapie zonder twijfel een belangrijke aanvulling op diepe experiëntiële sessies. Het helpt het materiaal dat in de holotrope bewustzijnstoestanden bovenkwam te integreren in het dagelijks leven, of het nu gaat om een biografisch trauma, een perinatale opeenvolging of een diepe spirituele ervaring. Hetzelfde geldt voor ervaringen die zich spontaan voordoen in spirituele noodtoestanden.
De toepassing van verbale psychotherapie kan daarnaast buitengewoon nuttig zijn voor het opheffen van problemen in de communicatie en interpersoonlijke dynamiek van een koppel of heel gezin. Een vertrouwelijk gesprek kan bij mensen die vroeg in hun leven afwijzing en misbruik hebben ervaren een corrigerende ervaring zijn en hen helpen om weer vertrouwen te ontwikkelen in menselijke relaties. Het kan ook vicieuze cirkels in interpersoonlijke interacties doorbreken die gebaseerd zijn op generalisaties, het verwachten van teleurstellingen en zelfvervullende voorspellingen.
Systematisch werk met holotrope bewustzijnstoestanden is verenigbaar en kan gecombineerd worden met een breed spectrum aan andere op ontdekking gerichte therapieën, zoals Gestalt therapie, verschillende vormen van lichaamswerk, expressief schilderen, Jacob Moreno’s psychodrama, Dora Kalff’s Zandspel, Francine Shapiro’s eye movement desensitization and reprocessing (EMDR) en vele andere. In combinatie met lichamelijke oefeningen, meditatie en bewegingsmeditatie, zoals joggen, zwemmen, hatha yoga, vipassana, tai-chi of chi-gong, kan dit een zeer effectief therapeutisch pakket zijn dat na verloop van tijd niet alleen resulteert in emotionele en psycho-somatische genezing, maar ook in blijvende positieve veranderingen van de persoonlijkheid.

PhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucket

Georganiseerde religies ontwikkelen hiërarchische systemen die zich richten op het najagen van macht, controle, politieke invloed, geld, bezittingen en andere wereldlijke zaken. Onder dergelijke omstandigheden verwerpt en ontmoedigt religieuze hiërarchie directe spirituele ervaringen in de leden ervan, omdat ze onafhankelijkheid aanmoedigen en niet goed bestuurd en gecontroleerd kunnen worden. Wanneer dit het geval is zet het ware spirituele leven zich enkel voort in de mystieke takken, kloosterordes en extatische bewegingen van de betrokken religies.
Broeder David Steindl-Rast, een benedictijner monnik en christelijk filosoof, gebruikt een prachtige metafoor om deze situatie te illustreren. Hij vergelijkt de oorspronkelijke mystieke ervaring met het gloeiende magma van een erupterende vulkaan, dat opwindend, dynamisch en vol leven is. Nadat we deze ervaring hebben gehad, voelen we een behoefte dit in een conceptueel raamwerk te plaatsen en een doctrine te formuleren. De mystieke bewustzijnstoestand vormt een dierbare herinnering en we zouden een ritueel kunnen bedenken om deze monumentale gebeurtenis te gedenken. De ervaring verbindt ons met de kosmische ordening en dit heeft een diepgaande, directe impact op onze ethiek – ons stelsel van waarden, morele maatstaven en gedrag.
In de loop van haar bestaansgeschiedenis verliest georganiseerde religie haar verbinding met de oorspronkelijke spirituele bron. Wanneer het losgekoppeld wordt van haar experiëntiële matrix, verworden haar doctrines tot dogma’s, haar rituelen tot leeg ritualisme, en kosmische ethiek tot moralisme. In Broeder David’s vergelijking lijken de overblijfselen van wat ooit een levendig spiritueel systeem was nu meer op gestolde lava dan op de opwindende magma van de mystieke ervaring die het geschapen had.
Mensen die ervaringen hebben van het immanente of transcendente goddelijke raken geïnteresseerd in het soort spiritualiteit die aangetroffen wordt in de mystieke takken van de grote wereldreligies of hun kloosterordes, niet noodzakelijkerwijs in de organisaties van hun hoofdstroom. Als deze ervaringen een christelijke vorm aannemen, zal het individu zich aangesproken voelen door Theresia van Avila, Johannes van het Kruis, Meister Eckhart of Hildegard van Bingen. Zulke ervaringen zouden niet leiden tot waardering voor de Vaticaanse hiërarchie en de geboden van de paus, noch zou het begrip wekken voor de houding van de katholieke kerk tegenover voorbehoedsmiddelen of de regel dat vrouwen geen deel mogen uitmaken van de clerici.
Een spirituele ervaring met een islamitisch karakter zou de persoon dichter bij het onderricht van de verschillende soefie-ordes brengen en interesse opwekken voor hun oefeningen. Het zou geen sympathie opwekken voor de religieus gemotiveerde politiek van sommige islamitische groeperingen en hun passie voor jihad, de Heilige Oorlog tegen de ongelovigen. Op dezelfde manier zou een joodse variant van deze ervaring het individu verbinden met de mystieke traditie van het judaïsme, zoals beschreven in de Cabala of de Chassidische beweging, niet met het fundamentalistische jodendom of zionisme. Een diepe mystieke ervaring lost de grenzen tussen godsdiensten op, terwijl het dogmatisme van georganiseerde religies juist de verschillen benadrukt en antagonisme en vijandigheid in de hand werkt.
Ware spiritualiteit is universeel en alomvattend, en is gebaseerd op persoonlijke mystieke ervaringen in plaats van op dogma’s of religieuze geschriften. De grote godsdiensten verenigen weliswaar mensen uit hun eigen kring, maar zorgen op grotere schaal voor verdeeldheid, aangezien ze hun eigen groep tegenover alle anderen plaatsen en proberen deze te bekeren of vernietigen. De benamingen “heiden”, “goyim” en “ongelovigen”, en de conflicten tussen de christenen en joden, christenen en moslims, of hindoes en sikhs, zijn slechts enkele bekende voorbeelden. In de onrustige wereld van vandaag de dag maken religies in hun huidige vorm geen deel uit van de oplossing maar van het probleem. Het is ironisch dat zelfs verschillen tussen verschil-lende partijen binnen eenzelfde religie aanleiding kunnen geven tot ernstig conflict en bloedvergieten, zoals blijkt uit de geschiedenis van de christelijke kerk en het maar voortdurende geweld in Ierland.
Het lijdt geen twijfel dat er meestal een fundamenteel conflict bestaat tussen de dogma’s van georganiseerde religies en de wetenschap, of dit nu wetenschap is die gebruik maakt van het mechanistisch-materialistische model of dat het verankerd is in het nieuwe paradigma. Maar de situatie is heel anders als het gaat om authentieke mystiek, gebaseerd op spirituele ervaringen. De grote mystieke tradities hebben een grote hoeveelheid kennis over het menselijk bewustzijn en de spirituele wereld verzameld, op een manier die vergelijkbaar is met de wijze waarop wetenschappers informatie vergaren over de materiële wereld. Er wordt gebruik gemaakt van een methodologie om transpersoonlijke ervaringen op te wekken, systematisch informatie te verzamelen en intersubjectieve validatie.
Spirituele ervaringen kunnen net als elk ander aspect van de werkelijkheid onderworpen worden aan zorgvuldig uitgevoerd, onbevooroordeeld wetenschappelijk onderzoek. Er is niets onwetenschappelijks aan onbevooroordeeld en nauwgezet onder-zoek van transpersoonlijke verschijnselen en de uitdagingen die ze vormen voor de materialistische kijk op de wereld. Alleen zo’n benadering kan de belangrijke vraag over de ontologische status van mystieke ervaringen beantwoorden: Onthullen ze diepe waarheden over fundamentele aspecten van het bestaan, zoals beweerd door de “eeuwige filosofie” (philosophia perennis), of zijn het voortbrengselen van bijgeloof, fantasie of geestelijke ziekte, zoals ze door de wetenschap gezien worden?
Het grootste obstakel voor het bestuderen van spirituele ervaringen is het feit dat de traditionele psychologie en psychiatrie gedomineerd worden door materialistische filosofie en geen juist begrip hebben van religie en spiritualiteit. De Westerse psychiatrie maakt geen onderscheid tussen mystieke ervaringen en psychotische ervaringen en ziet beiden als uitingen van een geestelijke ziekte. In haar verwerping van religie maakt ze geen onderscheid tussen aan de ene kant primitief bijgeloof en fundamentalistische, letterlijke interpretaties van religieuze geschriften, en aan de andere kant verfijnde mystieke tradities of Oosterse spirituele filosofieën, gebaseerd op eeuwenlange introspectieve verkenning van de psyche.
Een extreem voorbeeld van dit gebrek aan onderscheidingsvermogen is de verwerping van tantra, een systeem dat getuigt van diep inzicht in de menselijke psyche en een buitengewone spirituele kijk op de werkelijkheid te bieden heeft, in de context van een uitgebreid en verfijnd wetenschappelijk wereldbeeld. Tantrische geleerden ontwikkelden een diep begrip van het universum die in vele opzichten bevestigd is door de moderne wetenschap. Hiertoe behoorden ver ontwikkelde modellen van ruimte en tijd, het concept van de Oerknal, en zulke elementen als een heliocentrisch zonnestelsel, aantrekkingskracht van planeten, het inzicht dat de aarde en planeten bolvormige objecten zijn, en entropie. Deze kennis bestond al vele eeuwen voordat vergelijkbare ontdekkingen werden gedaan in het Westen.
Daarnaast ontwikkelden tantrische geleerden een geavanceerde wiskunde en vonden de decimale telling met een nul uit. Ze beschikten ook over een diepgaande psychologische theorie en experiëntiële methodes, gebaseerd op kaarten van het subtiele energielichaam met zijn psychische centra (chakra’s) en kanalen (nadi’s). Ze ontwik-kelden uiterst verfijnde abstracte en figuurlijke spirituele kunst en een complexe set rituelen (Mookerjee en Khanna 1977).
De ogenschijnlijke tegenstrijdigheid van wetenschap en spiritualiteit is vrij opmerkelijk. In de loop van de geschiedenis hebben spiritualiteit en religie een belangrijke en onmisbare rol gespeeld in het leven van de mens, totdat hun invloed werd ondermijnd door de wetenschappelijke en industriële revolutie. Wetenschap en religie zijn zeer belangrijke aspecten van het menselijk leven, elk op hun eigen manier. Wetenschap is het meest krachtige gereedschap voor het vergaren van informatie over de wereld waar we in leven en spiritualiteit is onmisbaar als een bron van zingeving. En de religieuze impuls is zondermeer een van de meest invloedrijke drijfveren achter het verloop van de menselijke geschiedenis en cultuur.
Het is moeilijk voor te stellen dat dit mogelijk zou zijn geweest als ritueel en geestelijk leven gebaseerd waren op psychotische hallucinaties, waanvoorstellingen of ongefundeerde bijgeloven en fantasiën. Om zo’n krachtige invloed op menselijke aangelegenheden te kunnen hebben, moet religie wel een authentiek en zeer diep aspect van de menselijke natuur weerspiegelen, hoe problematisch en vervormd deze ware kern ook weergegeven is in het verloop van de menselijke geschiedenis. Laten we nu kijken wat de observaties uit bewustzijnsonderzoek ons over dit vraagstuk kunnen leren. Alle grote wereldgodsdiensten waren geïnspireerd door de krachtige holotrope ervaringen van de zieners die deze geloven begonnen en in stand hielden, en door de goddelijke inzichten van de profeten, mystici en heiligen. Deze ervaringen, die de heilige dimensies van de werkelijkheid onthulden, dienden als bron van leven voor alle religieuze bewegingen.
Gautama Boeddha had tijdens zijn meditatie onder de Bo boom in Bodh Gaya een dramatische visionaire ervaring van Kama Mara, de meester der wereldse illusie, die hem probeerde af te leiden van zijn spirituele zoektocht. Hij probeerde eerst met behulp van zijn drie verleidelijke dochters Boeddha’s aandacht op seks te richten. Toen deze poging faalde, liet hij zijn dreigende leger aanrukken om Boeddha te vervullen van angst voor de dood, hem te intimideren en hem van verlichting te weerhouden. Boeddha slaagde erin deze obstakels te overwinnen en ervaarde verlichting en spiritueel ontwaken. Een andere keer zag hij de lange keten van zijn voorgaande incarnaties en ervaarde bevrijding van karmische bindingen.
De islamitische tekst Miraj Nameh geeft een beschrijving van de “miraculeuze reis van Mohammed”, een krachtige visionaire bewustzijnstoestand waarin de aartsengel Gabriël Mohammed op reis nam door de zeven moslim hemels, het paradijs en de hel (Gehenna). Tijdens deze visinonaire reis ervaarde Mohammed in de zevende hemel een “audiëntie” bij Allah. In een toestand die omschreven wordt als “extase op de grens van vernietiging” ontving hij van Allah een directe boodschap. Deze ervaring en aan-vullende mystieke bewustzijnstoestanden die Mohammed in de loop van vijfentwintig jaar ervaarde vormde de basis van de sura’s van de Koran en het moslim geloof.
In de judeo-christelijke traditie geeft het Oude Testament een kleurrijk relaas van Mozes’ ervaring van Yahweh in de brandende struik, een beschrijving van Abraham’s interactie met de engel, en andere visionaire ervaringen. Het Nieuwe Testament beschrijft Jezus’ ervaring tijdens zijn verblijf in de woestijn waarin hij door de duivel verleid werd. Zo zijn ook andere episodes duidelijk tranpersoonlijke ervaringen in holotrope bewustzijnstoestanden, zoals Saul’s verblindende visioen van Jezus op weg naar Damascus, de apocalyptische openbaring van Johannes in zijn grot op het eiland Patmos, en Ezechiël’s waarneming van de vlammende strijdwagen. De Bijbel geeft vele voorbeelden van directe communicatie met God en de engelen. Daarnaast maken de verzoekingen van Sint Antonius en de visionaire ervaringen van andere heiligen en woestijnvaders deel uit van de christelijke geschiedenis.
Moderne psychiaters interpreteren zulke visionaire ervaringen als uitingen van ernstige geestelijke ziektes, hoewel ze niet beschikken over een overtuigende medische verklaring of laboratoriumgegevens die deze positie onderbouwen. Psychiatrische literatuur bevat talloze artikelen en boeken die bespreken wat de meest toepasselijke klinische diagnose zou zijn voor bekende personen uit de religieuze geschiedenis. Zo is Johannes van het Kruis een “erfelijk gedegeneerde” genoemd, is Theresia van Avila als ernstig hysterische psychoot afgedaan, en zijn de mystieke ervaringen van Mohammed toegeschreven aan epilepsie.
Van vele andere religieuze en geestelijke persoonlijkheden, zoals Boeddha, Jezus, Ramakrishna en Sri Ramana Maharshi, is gesteld dat ze leden aan psychoses, vanwege hun visionaire ervaringen en “waanbeelden”. Op dezelfde manier hebben sommige traditioneel geschoolde antropologen gediscussieerd of sjamanen gediagnosti-ceerd moeten worden als mensen met schizofrenie, een psychose, epilepsie of hysterie. De befaamde psychoanalyticus Franz Alexander, die bekend staat als een van de grondleggers van de psychosomatische geneeskunde, schreef een artikel waarin zelfs boeddhistische meditatie in psychopathologische terminologie omschreven werd en “kunstmatige katatonie” werd genoemd (Alexander 1931).
In de industriële beschaving worden mensen die directe ervaringen van de spirituele realiteit hebben zodoende gezien als geestesziek. Psychiaters maken geen onderscheid tussen mystieke en psychotische ervaringen en zien beide categorieën als uitingsvormen van psychose. Het mildste oordeel over mystiek dat tot dusverre uit de academische hoek is gekomen was te lezen in een artikel genaamd “Mysticism: Spiritual Quest or Psychic Disorder?” van de het comité voor psychiatrie en religie van de Group for the Advancement of Psychiatry. In dit in 1976 gepubliceerde document wordt erkent dat mystiek wellicht een verschijnsel is dat zich ergens tussen normaliteit en psychose in bevindt.
Religie en spiritualiteit zijn extreem belangrijk geweest voor de geschiedenis van de mensheid en de menselijke beschaving. Waren de visionaire ervaringen van de grondleggers van godsdiensten niets meer geweest dan voortbrengselen van een hersen-ziekte, hoe kan het dan dat ze eeuwenlang zo’n diepe impact hebben gehad op miljoenen mensen, en inspiratie vormden voor glorieuze architectuur, schilderijen, standbeelden, muziek en literatuur. Er is geen archaïsche of pre-industriële cultuur te vinden waarin ritueel en geestelijk leven geen centrale rol speelden. De huidige benadering van de Westerse psychiatrie en psychologie bestempelt dus niet alleen het geestelijke maar ook het culturele leven van alle samenlevingen door de eeuwen heen, met uitzondering van de geschoolde elite van de Westerse industriële beschaving die het materialistische en atheïstische wereldbeeld deelt.
De officiële positie van de psychiatrie met betrekking tot spirituele ervaringen zorgde ook voor een opmerkelijke verdeeldheid in onze eigen samenleving. In de Verenigde Staten wordt religie officieel getolereerd, wettelijk beschermd en door sommige groeperingen zelfs gepromoot. In elke motelkamer bevindt zich een Bijbel, politici bewijzen in hun toespraken lippendienst aan God, en gezamenlijk gebed is een standaard onderdeel van de presidentiële inauguratieceremonie. Maar in het licht van de materialistische wetenschap worden mensen die wat voor spirituele denkbeelden dan ook serieus nemen gezien als ongeschoold, emotioneel onvolwassen of lijdend aan gedeelde waanbeelden.
Als iemand in onze cultuur tijdens een kerkelijke dienst opeens een spirituele ervaring heeft, vergelijkbaar met die welke de inspiratie vormde voor elke grote wereldreligie, dan zou de gemiddelde predikant hem of haar waarschijnlijk naar een psychiater sturen. We gaan naar de kerk en luisteren naar verhalen over mystieke ervaringen van mensen die meer dan tweeduizend jaar geleden leefden. Tegelijkertijd worden soortgelijke ervaringen onder mensen van vandaag de dag gezien als tekenen van geestesziekte. Het is meerdere keren gebeurd dat mensen voor wie psychiatrische hulp was ingeschakeld omdat ze intense spirituele ervaringen hadden beleefd, werden opgenomen in een ziekenhuis waar ze kalmeringsmiddelen of zelfs elektrische schokken kregen toegediend, en met een psychopathologische diagnose werden bestempeld die hen voor de rest van hun leven stigmatiseerde.
In de huidige situatie zien conventioneel getrainde wetenschappers zelfs de suggestie dat spirituele ervaringen systematisch en kritisch onderzocht zouden moeten worden als absurd. Alleen al het tonen van serieuze interesse in dit onderwerp wordt door sommigen beschouwd als indicatie van een slecht beoordelingsvermogen, en kan de professionele reputatie van de onderzoeker schaden. Feitelijk bestaat er geen weten-schappelijk “bewijs” dat de spirituele dimensie niet bestaat. De verwerping van het bestaan ervan is in wezen een metafysische aanname van de Westerse wetenschap, gebaseerd op een onjuiste toepassing van een achterhaald paradigma. Het onderzoek van holotrope bewustzijnstoestanden in het algemeen en transpersoonlijke ervaringen in het bijzonder verschaffen een overvloed aan gegevens die suggereren dat het zinnig is om te veronderstellen dat zo’n dimensie bestaat (Grof 1985, 1988).
Door holotrope bewustzijnstoestanden als ziekte te bestempelen, heeft de Westerse wetenschap de hele spirituele geschiedenis van de mensheid als ziekte afgedaan. Wetenschappers namen een oneerbiedige en arrogante houding aan tegenover het geestelijke, rituele en culturele leven van pre-industriële samenlevingen, evenals spirituele activiteiten van mensen in onze eigen maatschappij. Vanuit dit oogpunt heeft alleen de intellectuele elite die het monistische materialisme van de Westerse wetenschap onderschrijft een juist en betrouwbaar begrip van het universum, in tegenstelling tot alle andere groepen mensen die ooit bestaan hebben. Iedereen die dit wereldbeeld niet deelt wordt gezien als primitief, onwetend of misleid.
Het stelselmatige onderzoek van verschillende soorten holotrope bewustzijnstoestanden dat in de afgelopen vijftig jaar is uitgevoerd door artsen die gebruik maakten van psychedelische therapie en krachtige experiëntiële psychotherapieën, door thanatologen, antropologen, jungiaanse psychoanalytici, onderzoekers van meditatie en biofeedback, en vele anderen, heeft aangetoond dat de Westerse psychologie en psychiatrie een ernstige fout hebben gemaakt door mystieke ervaringen af te doen als uitingsvormen van hersenziekte of onbekende etiologie. De nieuwe ontdekkingen heb-ben geleid tot de ontwikkeling van de transpersoonlijke psychologie, een discipline die onbevooroordeeld wetenschappelijk onderzoek naar spiritualiteit heeft verricht op basis van eigen criteria, in plaats van het te bekijken door het prisma van het materialistische paradigma.
Transpersoonlijke psychologie onderzoekt en respecteert het hele spectrum van de menselijke ervaring, inclusief de holotrope bewustzijnstoestanden en alle domeinen van de psyche – biografisch, perinataal en transpersoonlijk. Hierdoor heeft het meer begrip voor andere culturen en biedt het een manier om naar de psyche te kijken die universeel is en van toepassing op elke groep mensen in alle historische tijdvakken. Het respecteert daarnaast de spirituele dimensies van het bestaan en erkent de diepe menselijke behoefte aan transcendente ervaringen. In deze context wordt de spirituele zoektocht gezien als een begrijpelijke en legitieme menselijke activiteit.
De verschillen tussen de kijk op het universum, de natuur, mensen en bewustzijn zoals die is ontwikkeld door de Westerse wetenschap en die welke wordt aangetroffen in de archaïsche en pre-industriële samenlevingen, worden meestal verklaard op basis van de superioriteit van de materialistische wetenschap boven het bijgeloof en primitief magisch denken van inheemse culturen. In dit verband wordt atheïsme gezien als een hoger ontwikkelde en meer verlichte kijk op de werkelijkheid, waar de inheemse mens pas over zal beschikken als deze in de gelegenheid komt een Westerse opleiding te volgen. Zorgvuldige analyse van deze situatie onthult dat de reden voor dit verschil niets te maken heeft met de superioriteit van de Westerse wetenschap, maar met de onwetendheid en naïviteit van de industriële samenleving met betrekking tot holotrope bewustzijnstoestanden.
Alle pre-industriële samenlevingen hadden veel ontzag voor deze bewustzijnstoestanden en staken veel tijd en energie in het ontwikkelen van effectieve en veilige manieren om ze op te wekken. Ze bezaten diepe kennis over deze ervaringen, wekten ze stelselmatig op, en maakten er gebruik van als onmisbaar voertuig in hun rituele en geestelijke leven. Het wereldbeeld van deze culturen weerspiegelt niet alleen de ervaringen en observaties uit het alledaagse bewustzijn maar ook die uit visionaire bewustzijnstoestanden. Modern bewustzijnsonderzoek en transpersoonlijke psychologie hebben laten zien dat veel van deze ervaringen authentieke onthullingen zijn van normaliter verborgen dimensies van de werkelijkheid en niet afgedaan kunnen worden als pathologische waanbeelden.
In visionaire bewustzijnstoestanden zijn de ervaringen van andere realiteiten of nieuwe perspectieven op ons dagelijkse leven zo overtuigend en fascinerend dat de personen die ze hebben ervaren geen andere keuze hebben dan ze te integreren in hun wereldbeeld. Het is zodoende de systematische experiëntiële blootstelling aan holotrope bewustzijnstoestanden aan de ene kant en het gebrek daaraan aan de andere die hebben geleid tot de ideologische scheiding tussen de inheemse en de technologische samenlevingen. Ik ben nog nooit iemand uit Europa, Amerika of een van de andere technologische samenlevingen tegengekomen die een diepe ervaring van de transcendente dimensie heeft gehad en toch het wereldbeeld van de Westerse materialistische wetenschap is blijven onderschrijven. Deze ontwikkeling is geheel onafhankelijk van de intelligentie, het opleidingsniveau of de professionele geloofsbrieven van persoon in kwestie.

Appendix

PhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucket
Photobucket
PhotobucketPhotobucketPhotobucket
Photobucket
Photobucket
Photobucket
Photobucket
PhotobucketPhotobucket
PhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucket
PhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucketPhotobucket

Hier vind je meer (Engelstalige) teksten van Stanislav Grof: Ambrosia


Eén reactie to “Lees “De Nieuwe Psychologie” (2010) nu GRATIS online!”

  1. Zeer bijzonder, vaak herkenbaar een eye-opener voor de zelfrealist.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

 
%d bloggers op de volgende wijze: